'Hoe komt Mietje dood?'

Historische datum 24 juli 1786 | Notaris Hendrik Daniel  van Hoorn

Op een woensdag in de eerste kermisweek van 1786 worden verdachte geluiden gehoord vanuit een kamer op de Korte Prinsengracht. De gealarmeerde buren treffen in de bedstee een dode Mietje aan. Was het zelfmoord, of...? Notaris Van Hoorn noteert in opdracht van de Hoofdofficier alle verklaringen, die opeens de sleutel blijken in een moordzaak.

Mietje in de bedstee

Buurvrouw Grietje van Nuis komt als eerste haar verhaal doen in het notariskantoor. Ze vertelt hoe ze het zoontje van Mietje op die woensdag op de stoep voor het huis vond. Toen ze merkte dat hij niet naar boven wilde, dacht ze dat Mietje hem voor straf buiten had gezet. Ze loopt de trap op om een goed woordje voor hem te doen.

Als ze boven komt ziet ze de deur van de kamer openstaan, met de sleutel aan de buitenkant. Aarzelend stapt Grietje de drempel over. Ze ziet niemand, tot ze bij de bedstee komt. Dan ziet ze Mietje hangen aan een touw, met haar ogen open. Door 'schrik en ontsteltenis vermeesterd' rent de buurvrouw de kamer uit en roept om de andere buren. Daarop komt Klaas Bolden vanaf de bovenste voorkamer aanrennen.

Als de twee buren samen naar binnen gaan horen ze een harde plof. Mietje ligt opeens roerloos op haar knieën met haar hoofd op het voeteneind. Ze leggen haar achterover in bed en halen de chirurgijn erbij. De medicus heeft Mietje adergelaten en azijn in de mond gegoten, maar het mag helaas allemaal niet meer baten.

Neef Gerrit

Mietje woonde met haar zoontje boven de smeersmelterij op de Korte Prinsengracht (nu: de Nieuwe Prinsengracht), waar runder- of schapenvet werd gesmolten om goedkope, walmende kaarsen van te maken. Ze had sinds kort een huisgenoot op dit wat minder welriekende deel van de gracht; Gerrit van Hellendoorn, een neef van haar. Gerrit had het zo bont gemaakt dat hij door zijn vrouw uit huis was gezet en woonde nu even in bij zijn tante. Gezellig samenwonen was dat niet, zo vertellen de buren: de twee hadden vaak ruzie en Mietje werd regelmatig met een blauw oog op straat gezien.

'Buuren, komt mij tot hulp!'

Tegenstrijdige verklaringen

Buren hadden Mietje rond negen uur gevonden en de chirurgijn erbij gehaald. Maar dan neemt het verhaal een twist. De verklaring van de eerste getuige wordt tegengesproken door andere omwonenden: er is helemaal geen touw gevonden in de bedstee en er zaten ook geen striemen om haar hals. Het was later op de avond toen lawaai werd gehoord. Dat was het moment dat neef Gerrit haar dood in bed vond en ook hij riep om hulp.

Eén van de buren valt tegen Gerrit uit: 'waarom heb jij haar zo geslagen?' Maar Gerrit is zichtbaar aangedaan, zowel van de dood van Mietje als van de aantijgingen. 'Hoe komt ze dood?', vraagt hij, terwijl hij volschiet. En daarna: 'Og God, ik heb je niet kapot gemaakt, dat zullen de buuren getuijgen'.

Het alibi

Er is een getuige die meegaat in Gerrits verhaal, waardoor het raadsel alleen maar groter wordt. Jan Potharst, een vriend en collega van Gerrit, verstrekt hem een alibi. Gerrit was de dagen rond de dood van Mietje met hem opgetrokken en nooit alleen met Mietje in huis. De avond van haar dood waren ze nog samen naar een spel op de Botermarkt geweest. En dat lijkt dat. Gerrit verklaart nog dat hij gaat vragen of zijn vrouw hem terug in huis wil nemen.

En dan knijpt hij er tussenuit, 'tot dat die boel over is'. Zijn toer leidt langs Haarlem, Leiden, Den Haag, Rotterdam en weer terug naar Amsterdam.

'Og God, ik heb je niet kapot gemaakt'

De sleutel

Inmiddels wordt uit de woorden van kompaan Potharst duidelijk dat Gerrit zijn sleutel kwijt was geraakt en onder het oog van diverse getuigen had teruggevonden op tafel - dezelfde sleutel die de eerste getuige in het slot van de openstaande deur had gevonden.

De lijkschouwing

In het gasthuis wordt het lichaam onderzocht, zoals vaker gebeurde bij overledenen die op straat werden gevonden of waarbij de doodsoorzaak niet duidelijk was. De arts ziet verwondingen in de schaamstreek en aan het gezicht; na het doorsnijden van de kleding bij het hoofd - was dat aangezien voor een touw? - vindt hij 'veel uijtgestort en geronnen bloed [...] welke groote hoeveelheid van uijtgestort bloed mij wel ten uijterste gevaarlijk maar niet volstrekt dodelijk verklaaren'.

Het verhoor

Neef Gerrit wordt na verdacht gedrag opgepakt en meerdere malen verhoord voor de Schepenen. 'Mietje' blijkt voluit Wilhelmina Versteeg te heten. Ze hebben zich in de buurt uitgegeven voor een echtpaar en Mietje staat bekend als liefhebber van sterke drank. In de verhoren, opgetekend in de Confessieboeken, wordt nog een groot aantal buurtgenoten en familieleden opgevoerd.

Hij geeft tijdens de verhoren geen krimp en vertelt een verhaal vol details dat op punten ook weer afwijkt van de afgelegde verklaringen voor de notaris. De getuigenverklaring voor notaris Daniel van Hoorn lijkt de doorslag te geven.

Het vonnis

De Schepenen lijken hem eerst veroordeeld te hebben tot 10 jaar dwangarbeid in het Rasphuis, maar dat vonnis is doorgestreept.

Op 15 september 1786 wordt Gerrit van Hellendoorn door Schout en Schepenen voor 25 jaar verbannen uit de landen van Holland en Westfriesland. We zijn benieuwd waar en wanneer hij weer opduikt.

Tags

18e eeuwAmsterdamAttestatieDood
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen