Het gevaar buiten de poorten

Historische datum 12 juli 1792 | Notaris Leonard  Beels

Giacomo Casanova verbaasde zich nog over de vrijheid van de lokale schoonheden - een gastheer gaf zomaar, zonder chaperonne, zijn enige dochter aan hem mee! Toch waarschuwden ook Amsterdamse vaders hun dochters: ga nooit met vreemde mannen buiten de poorten. De zeventienjarige Maria Klijn volgde de raad niet op en vertelt een jaar later het verhaal van haar ontvoering aan de notaris.

Op een zomerdag in 1792 komen vier getuigen bijeen in het notariskantoor van Leonard Beels: Jacobus Klijn, van de Nieuwendijk schuin tegenover de Kapelsteeg met zijn dochter Maria; daarnaast Willem Gerritze, de stalmeester van het Leidseplein, en zijn stalknecht Hendrick Felt.

Een zekere Cornelis Warneke, zo begint de eerste getuige Vader Klijn, kwam op een dag aan de deur en vroeg naar zijn toen zestienjarige dochter Maria. Maar die lag 'zeer gevaarlijk aan een galkoorts ziek te bedde' en de onbekende man wordt met enige argwaan bekeken en weggestuurd. Gelukkig herstelt Maria en kan haar vader vragen of zij deze man wel kende. Tot zijn schrik krijgt hij te horen dat deze man haar wel vaker aansprak als zij alleen op straat liep, en haar zelfs bij de arm pakte 'zeggende dat zij met hem zoude gaan kuijeren'. Het meisje durfde hem niet te weigeren om geen scene te maken voor de mensen op straat.

Op een dag moet het meisje van haar vader een paar brieven naar het postcomptoir brengen en daarna op bezoek bij haar tante in de Kalverstraat. Warneke slaat direct toe en wil met haar wandelen buiten de Leidsepoort. Het meisje is bang maar loopt mee. De route voert langs het stadhuis de Bloemmarkt over, de Roosemarijnsteeg (nu: de Rosmarijnsteeg) door en de Herengracht af tot de Leidsestraat. Gaat ze mee de Buitencingels over? Hij belooft haar dat ze voor het donker weer bij haar ouders thuis zal zijn.

'en gevraagd om met hem buyten de Leidsche poort te gaan wandelen...'

Warneke stuurt snel een jongen naar de Leidsepoort om een fourgon, een koets, te regelen die moet wachten voor de herberg buiten de Weteringpoort. Bij die herberg zou Maria aan de chauffeur, de stalmeester Gerritsze, nog gevraagd hebben of hij geen zin had om mee te rijden - waarop de laatste getuige had 'gezien dat Warneke zeer ontsteld was'.

De stalknecht die is meegekomen met de stalmeester springt op het bankje van de fourgon en krijgt opdracht om 'de cingels uit te rijden de Weesperpoort uijt den Amstel langs de Weesperzijde langs naar Abcou' … en verder naar Utrecht. De jongen krijgt een grote fooi in het vooruitzicht als hij zo hard mogelijk rijdt en niet stopt onderweg. De kap van de koets gaat dicht. Het meisje vraagt verwonderd of ze niet terug naar haar ouders kunnen rijden, maar Warneke sust: ze kunnen nu niet meer terug want de poort is al dicht. Maar geen nood, hij heeft alles geregeld en zal een brief sturen naar haar ouders. De knecht hoort het meisje zacht zeggen dat ze bang is een ongeluk te krijgen en met het rijtuig te water te raken, omdat hij zo hard rijdt in het donker.

Onder protest gaat de tocht door naar Abcoude, en Loendersloot, waar de paarden te drinken krijgen. Warneke wordt steeds nerveuzer door het oponthoud en schreeuwt 'nu zullen ze mij krijgen en mij vlak in de mond rijden!' Als de koets in de buurt van Maarssen een verkeerde weg inslaat krijgt de knecht ervan langs. Na een afslag bij de slagboom van Zuijlen komt de Vecht in zicht en gaan ze tot opluchting van de ontvoerder dus toch echt richting Utrecht - en daarmee zijn ze buiten de jurisdictie van Amsterdam. Ze parkeren op de pleisterplaats net buiten de Tolpoort en Warneke is zo vrolijk dat hij een fles wijn rond laat gaan. Maria drinkt niet mee.

Vanaf nu mag de stalknecht 'zoetjes' rijden van Warneke en rond vier uur in de ochtend komen ze aan in Wijk bij Duurstede. Hij krijgt die avond drie gulden fooi en wordt teruggestuurd naar Amsterdam, waar hij nog net voor het sluiten van de poort terug is bij zijn baas op het Leidseplein. Warneke vervolgt zijn tocht met een nieuwe koets van de lokale verhuurder Amesfoort. Het arme meisje heeft intussen geen idee waar ze is maar hoort de naam Ravesteijn (nu: Ravenstein, gemeente Oss) 'welke plaats hij Warneke zeijde een beste plaats te zijn om te weezen'. Ze nemen een kamer in de herberg de Roskam. Maria weigert naar bed te gaan, waarop Warneke steeds gewelddadiger wordt en haar uiteindelijk verkracht: Maria 'zeggende dat hij dat moest doen daar hij haar op geen andere manier kon krijgen'.

Intussen wordt de vader op de Nieuwendijk gek van ongerustheid. Hij vertelt voor de notaris hoe hij die nacht en hele volgende dag doorgebracht heeft met zoeken. Via een rondgang langs de herbergen aan de rafelrandjes van de stad komt hij uiteindelijk terecht bij de uitspanning op de hoek van de overhaal buiten de Weteringspoort. Daar hoort hij het gerucht van een zekere Juffrouw, waarin hij zijn dochter herkent, die buiten de stadspoorten vervoerd werd met een koets van Gerrits. Zo komt hij Warneke op het spoor.

De vader pakt direct een koets naar Wijk bij Duurstede, waar hij op de stugge stalmeester Amesfoort stuit die niets los wil laten over wat hij gezien heeft. Pas na beloften dat hij niet vervolgd zal worden en veel tranen overhandigt hij het adres van de herberg de Roskam. Ook die kastelein aldaar is weinig welwillend en verschaft pas toegang als de vader belooft Warneke 'in vreede te laaten' binnen zijn etablissement.

Eindelijk vindt hij dan toch zijn dochter terug op één van de bovenkamers. Het is een waar drama dat wordt opgetekend door de notaris. Het meisje vliegt haar vader van blijdschap in de armen, terwijl de ontvoerder om vergiffenis bidt 'zeggende ik heb grootelijks misdaan'. Vader en dochter besluiten dit verhaal met de lange terugtocht, waarop zij om drie uur in de ochtend uit Ravesteijn vertrokken. De volgende avond, met poortsluiten, was Maria weer veilig terug binnen de poorten van Amsterdam.

Tags

18e eeuwAttestatieOntvoering
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen