Een greep uit de kas

Historische datum 28 november 1732 | Notaris Philip Zweerts

Klerk Marinus van der Grijp verduisterde in 1732 een fortuin uit de kas van de Weeskamer en lijkt daarna in rook op te zijn gegaan. Waar bleef het geld en waar bleef Van der Grijp? Na zijn vlucht werd een boedelinventaris van zijn bezittingen opgemaakt.

Klik op de pijlen voor een kijkje in de bestuurskamer van de Weeskamer in het stadhuis (nu: Paleis op de Dam). De inrichting is van later datum, maar het schoorsteenstuk van Cornelis Holsteijn uit 1655 heeft Van der Grijp gezien.

De sleutels van de Weeskamer

In boedelinventarissen worden alle bezittingen van iemand, kamer voor kamer en laatje voor laatje, opgetekend. Bijna altijd gaat het daarbij om overledenen, zodat de eigendommen getaxeerd en verdeeld kunnen worden onder de erfgenamen. Een enkele keer is er iets anders aan de hand. Dit keer stuitten we op de boedelinventaris van de 21-jarige Marinus Hendriksz van der Grijp, die nog springlevend was op het moment dat een schatster zijn spullen minutieus bekeek en noteerde.

Van der Grijp werkte als eerste klerk voor de Weeskamer, die het beheer van nalatenschappen regelde als er minderjarige kinderen in het spel waren. Het bestuur was gevestigd in een kamer van het stadhuis op de Dam, op de eerste verdieping, op de hoek die uitkijkt op de Nieuwe Kerk. Als eerste klerk had Marinus van der Grijp daar tevens de functie van penningmeester en daarmee het beheer over de kasboeken. Nu was Van der Grijp niet van de meest eenvoudige afkomst, maar hij vond de verdiensten blijkbaar niet genoeg of hij kon de verleiding simpelweg niet weerstaan. Hoe dan ook: Er verdwijnt geld.

Als hij zelf van de een op de andere dag verdwijnt begint de zaak te rollen. Er wordt een vervalst kasboek aangetroffen, en zijn vlucht wordt als bekentenis opgevat. Beiden worden als bewijsmateriaal tegen hem gebruikt. Op 11 november 1732 wordt zijn woonhuis verzegeld, tot de kinderkamer aan toe. Van der Grijp wordt uiteindelijk in april 1733 verbannen uit de landen van Holland en West-Vriesland. Maar op het moment dat zijn spullen in beslag werden genomen was de vogel al lang gevlogen.

Leven in weelde

Van der Grijp bleek gedurende een periode van vijf jaar, tussen 14 juli 1728 en september 1732, zichzelf te hebben verrijkt door geld uit de kas te halen en de boeken te vervalsen. De diefstal was geraffineerd en onopvallend. Als veiligheidsmaatregel waren er altijd twee sleutels nodig die door afzonderlijke personen bewaakt werden, maar vermoedelijk had hij zelf kopieën gemaakt uit een mal van was. De valse posten in de boeken kwamen pas boven na vergelijking met de minuutregisters van de Weeskamer. Marinus van der Grijp zou in totaal de wezen hebben benadeeld voor het enorme bedrag van 179.577 guldens, elf stuivers en tien penningen - naar de huidige waarde al gauw zo'n 2 miljoen euro.

Op 12 november 1732 bereikte het schandaal ook Jacob Bicker Raye, die het uiteraard direct noteerde in zijn dagboek. Hij smult er duidelijk van en vraagt zich af hoe het bedrog zo lang door heeft kunnen gaan - hadden de heren Weesmeesteren nu echt niet gezien dat hun rechterhand in een net iets te dure koets reed? Losbol Van der Grijp was niet alleen de eigenaar van een buitenplaats, Middendorp en Zeerust bij Bennebroek, maar vulde zijn dagen ook met een grote hoeveelheid dure paarden en jachthonden. En wat natuurlijk ook bij het voor iedereen zichtbare luxeleventje van Van der Grijp hoorde, voegt Bicker Raye nog toe, was het onderhoud van meerdere minnaressen naast zijn vrouw.

'Hij was een man die zeer grote depenses deed...'

De boedelinventaris

Van der Grijp had ongetwijfeld het een en ander aan bezittingen meegenomen op zijn vlucht, die vermoedelijk naar België leidde. Maar wat had de bon-vivant zoal thuis liggen? Kon de stad nog wat terughalen van het verloren fortuin? Zijn woonhuis, op de Herengracht bij de Reguliersgracht, werd eind november 1732 uitgekamd.

De uitgebreide boedelinventaris die werd opgemaakt telt 30 bladzijden. Het huis aan de Herengracht telt beneden meerdere kamers plus een kantoor, een keuken, boven onder meer de kinderkamer en een 'poeierkamer', meerdere zolder- en keldervertrekken, kamers voor de knecht en meid, een stalling en een koetshuis. De huisraad is niet overdreven uitbundig: Te vinden zijn een smaakvolle eikenhouten kantoorinrichting, een clavecimbel, zilver, enkele schilderijen, wat kleding en een leeg juwelenkoffertje. Wel zijn de kelders goed voorzien van wijn. Naast meerdere paarden zijn er zadels met zilverbeslag en geel fluweel, en chique bekleding voor een arrenslee. Het is natuurlijk niet duidelijk wat hij aan contanten bij zich droeg, maar het meeste geld dat voor de wezen bestemd was lijkt direct verdampt te zijn in zijn weelderige levensstijl.

Van der Grijp liet een spoor van openstaande rekeningen en aanmaningen achter, met vooral grote bedragen in het luxere segment: vooral zilversmeden, een hoefsmid en wagenmaker, en een behangselwinkel.

De complete financiële afwikkeling duurde nog tientallen jaren. In 1758 werden uit de boedel nog twee grafsteden in de Westerkerk verkocht.

Fragmenten uit de boedelinventaris: onder meer wijn, een kostbaar zadel, een vergulde arrenslee en een schilderij van Gerard Hoed.

Fragment uit de openstaande rekeningen van Van der Grijp.

Opsporing verzocht

Het verdere leven van Marinus Hendriksz van der Grijp is een groot mysterie. Zijn vrouw en kinderen bleven in eerste instantie achter in Amsterdam maar voegden zich later mogelijk bij hem. Hij zou zich in elk geval in Mechelen en Brussel hebben opgehouden en maakte ook nog gebruik van de naam Mauris/Maurus van Berg(h)en. Verbannen of niet, de brutale Van der Grijp dook in 1737 nog even op in Amsterdam toen een dochter Anna Constantia werd gedoopt; hoewel zijn vermelding als vader niet 100% hoeft te bewijzen dat hij ook lijfelijk bij de doop aanwezig was.

Hoe lang zou hij geleefd hebben van het geld voor de Amsterdamse wezen? Voor wie op jacht wil gaan: Tien jaar geleden is er op het Stamboomforum een beloning uitgeloofd voor tekens van leven van Van der Grijp na 1732. Verwar onze voortvluchtige vooral niet met zijn arme borg staande oom Marinus van der Grijp, Postmeester van het Hamburger Comptoir en de eigenaar van de hofstede Distelberch/Grijpesteijn (nu: Oosterduin, gemeente Haarlem). Die werd in 1737 begraven in de Westerkerk, toen de financiële afwikkeling van de zaak nog in volle gang was.

Met dank aan VeleHanden-deelnemer JW Kooistra.

Verder lezen

Anja Kroon, 'Marinus van der Grijp, de losbandige eigenaar van Middendorp en Zeerust in Bennebroek'. In: Heerlijkheden 153 (2012).

Tags

18e eeuwBoedelinventarisCriminaliteit
Deel artikel

     
Geplaatst op

12 juli 2017
Auteur

Redactie
Bron

   Boedelinventaris 28-11-1732
Tags

18e eeuwBoedelinventarisCriminaliteit
Gerelateerd

Externe link

   Ons Amsterdam
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen