Zilver en slaven, de wereld van de Rooswijk

Historische datum 25 september 1737 | Notaris Philip Zweerts

Op 25 september 1737 tekende de notaris Philip Zweerts een overeenkomst op tussen twee juweliers en een VOC-schipper. Het was slechts enkele weken voor de eerste uitreis van het VOC-schip Rooswijk – bekend vanwege de ramp waarin het schip tijdens de tweede uitreis in 1740 voor de kust van Engeland zonk.

Een gastbijdrage van Matthias van Rossum

De drie mannen lieten optekenen dat schipper Adriaan van Rensen, de gezagvoerder van de Rooswijk in 1737, een bedrag van 'zeven honderd zilvere ducatons' meenam naar Batavia voor de juweliers Willem Hendrik Lons uit Utrecht en Harmanus van Noorle uit Amsterdam. Bij een 'behouden arrivement' zou Adriaan het bedrag overhandigen aan Hendrik Milet, de opperchirurgijn van het ambachtskwartier in Batavia.

Zilversmokkel onder de VOC

De overeenkomst tussen de drie mannen getuigt niet van een gul gebaar, maar van een zakelijke transactie. Het is een voorbeeld van de grootschalige illegale particuliere zilvertransporten vanuit Republiek naar Azië met VOC-schepen, maar ook van de uitgebreide netwerken van hooggeplaatste VOC-werknemers en handelaren die daarvan profiteerden. Hoe ging dit in zijn werk?

Edelmetaal, en daarmee ook zilvergeld, was in Azië veel meer waard dan in Europa. Omdat de VOC juist in Azië geld nodig had om handel mee te kunnen drijven, bood de VOC bovendien heel gunstige tarieven aan iedereen die in Azië zilver wilde omruilde voor waardepapieren - assignaties - die in de Republiek weer uitbetaald werden. Zilvergeld werd op deze manier wel 25 tot 40 procent meer waard dan in Europa.

De uitvoer van edelmetaal naar Azië door VOC-dienaren of anderen was door de VOC verboden – om de oncontroleerbare particuliere handel tegen te gaan. Toch werd door VOC-opvarenden tijdens de reis van de Republiek naar Azië grote hoeveelheden zilvergeld gesmokkeld. Uit een recente studie van Jan Lucassen en Matthias van Rossum blijkt bijvoorbeeld dat de bemanning van de Zeewijk, toen het schip tijdens haar uitreis in 1727 voor de kust van Australië strandde, meer dan 7.000 dukatons illegaal meegenomen had – een bedrag ter waarde van zo'n 25.000 tot 27.000 gulden.

Van VOC-slavenarts tot burgemeester

In Batavia werd het geld overhandigd aan een lokaal contactpersoon. In het geval van de overeenkomst tussen de schipper en de juweliers werd het geld door Van Rensen aan Hendrik Milet overhandigd, waarschijnlijk snel na aankomst van het schip in Batavia, eind september 1738.

Hendrik Milet van Middelburg was een ervaren VOC-dienaar. Hij was in 1723 in dienst gekomen als 'derde meester', onderchirurgijn, en werd in de loop der jaren bevorderd tot 'oppermeester', eerste geneeskundige. In 1730 vertrok hij voor de laatste keer naar Azië. Eerst werkte hij als chirurgijn op Onrust, een eiland in de baai van Batavia waar enkele honderden slaven en ambachtslieden VOC-schepen repareerden. Het eiland was één van de plekken waar VOC-dienaren veel extra geld konden verdienen in smokkelhandel. Een VOC-bestuurder klaagde dat zelfs predikanten hun best deden 'om den particuliere handel te drijven […] in slaven, thee, etcetera'. Na enkele jaren werd Hendrik Milet de chirurgijn van het ambachtskwartier in Batavia. Ook het ambachtskwartier was een grote werkplaats: vaak werkten en leefden daar wel meer dan duizend mensen, met name Aziatische slaven en Europese ambachtslieden, maar ook veel Aziatische en Europese gevangenen.

Hendrik Milet zal het geld na ontvangst, zoals vaak gebeurde, hebben omgezet in een assignatie of wisselbrief. Hij kon daar niet te lang mee wachten, want hij vertrok namelijk al in november 1738 met het schip Wickenburg op de terugreis naar de Republiek. Eind juni 1739 keerde Hendrik Milet weer terug in Zeeland, waar hij direct de assignatie kon innen, en het geld van de juweliers Lons en Van Noorle, met een grote winst kon retourneren. De winst kon in deze periode volgens Femme Gaastra oplopen tot wel 40 procent!

Het lijkt Hendrik Milet na zijn terugkeer voor de wind te zijn gegaan. Hij bleef in Zeeland wonen, eerst in Middelburg, later in Veere. Hij bezat lange tijd de buitenplaats Zeerust bij Koudekerke, vervulde functies bij de Nederduitse Gereformeerde kerk in Middelburg, in het stadsbestuur van Veere en vanaf 1770 was hij daar zelfs burgemeester. Zijn oude praktijken was hij niet verleerd: in 1780 werd Milet beschuldigd penningen meegegeven te hebben aan een Zeeuwse VOC-schipper voor de particuliere handel in Batavia.

Slaven uit Batavia

Maar de chirurgijn Hendrik Milet en de schipper Adriaan van Rensen waren niet de enigen die kennis hadden van de wonderlijke wereld van smokkel, illegale handel en profijt onder de VOC. Eén van de twee geldzenders, Willem Hendrik Lons, wordt in de akte van notaris Philip Zweerts weliswaar vermeld als juwelier in Utrecht, maar dat was hij nog niet lang. Lons was namelijk pas in 1736 teruggekeerd uit Batavia, waar hij acht jaar lang als (onder)koopman in dienst van de VOC. Kort na zijn aankomst in Batavia was hij getrouwd met Sara Sibilla Verdion, de dochter van een VOC-koopman. Uit een korte geschiedenis van de straat waar Willem en Sara zich in 1736 in Utrecht vestigden, is bekend dat vier mensen met de familie 'uijt Indien' waren mee overgekomen, te weten Sibilla van Batavia, Citi van Batavia, Lucretia van Batavia, en haar zoon, Jan van Biesem. De drie vrouwen werden in een testament vermeld als 'dienstmaagden' of 'swarte meyt', maar waren zeer waarschijnlijk slavinnen. Slavernij en slavenhandel was wijdverspreid in en rond de VOC-gebieden in Azië, en de handel in tot slaaf gemaakte mensen was voor VOC-dienaren een belangrijke vorm van particuliere handel. Het was heel erg duur om passagiers met retourschepen van Azië te laten overbrengen naar de Republiek, dus de omvang van het huishouden waarmee Willem Hendrik Lons in 1736 repatrieerde zegt veel over zijn rijkdom, en misschien indirect dus ook wel iets over zijn (illegale) particuliere activiteit.

En zo legt het document van de notaris Philip Zweerts meerdere, op elkaar ingrijpende mondiale verbindingen bloot. In het kielzog van de VOC-expansie werd zilver naar Azië gestuurd, terwijl tot slaaf gemaakte Aziaten naar de Republiek mee terug werden genomen. In Azië profiteerden VOC-dienaren van illegale handelsmogelijkheden en de ontvangende rol in de transcontinentale netwerken rond zilversmokkel, eenmaal terug in de Republiek zetten ze met hun overzeese verdiensten zelf zilvertransporten op.

Matthias van Rossum is senior onderzoeker bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam, waar hij een onderzoeksproject naar slavernij onder de VOC in Azie leidt. Van zijn hand zijn naast talloze artikelen de boeken Kleurrijke tragiek. De geschiedenis van slavernij in Azië onder de VOC (2015) en Werkers van de wereld. Globalisering, arbeid en interculturele ontmoetingen tussen Aziatische en Europese zeelieden in dienst van de VOC, 1600-1800 (2014).

Tags

18e eeuwVOCAziëSlavernijsmokkelScheepvaart
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen