Te werk in ‘de Barrebiesjes’

Notaris Johannes Beukelaar

In 1627 vaardigde Abraham van Peere, koopman te Vlissingen en hoogwaardig lid van de Kamer van Zeeland, de Zeeuwse afdeling van de VOC, een expeditie uit naar de rivier Berbice. De kleine regio in Guyana, Zuid-Amerika, zou worden omgedoopt tot private kolonie onder het patroonschap van Van Peere. Binnen Berbice werd er handel gedreven met de bewoners, maar vooral werd het een plantagekolonie waar suiker, cacao, katoen en koffie werd verbouwd door tot slaaf gemaakte Afrikanen. In 1720 werd de kolonie verkocht aan een aantal Amsterdamse handelaren, die de particuliere Sociëteit van Berbice oprichtten.

De planters die in Berbice actief waren, hadden als grootste doel in korte tijd zoveel mogelijk rijkdom te vergaren. Voor de productie van suiker en koffie werden tot slaaf gemaakte mensen uit Afrika te werk gesteld. Daarnaast werden op de plantages Europeanen als directeur aangesteld die toezicht hielden op de financiën en productie. In de Notariële Archieven komen we regelmatig contracten tegen voor directeurs en ander personeel op plantages in Berbice en Suriname.

Zo werd op 9 april 1739 de Amsterdammer Jan Lodewijk Thomassen aangesteld als onderdirecteur op de plantage 'Den Arent' van eigenaar Arnoud de Bordes. Zijn taken waren voornamelijk administratief van aard. Zo moest hij bijhouden wanneer schepen producten aanleverden en waar deze producten toe gebruikt werden. Tevens moest hij noteren hoeveel productie de plantage per dag draaide. Naast deze administratieve werkzaamheden kreeg hij ook de opdracht toezicht te houden op de slaven die werkzaam waren op de plantage: "Oock sal Thomasse goede toesigt moeten neemen dat alle slaven op de Compagnie's eyge plantagie zijn werkende; en niet gedoogen dat die van de plantagie gaan onder wat pretext sulx soude mogen zijn om dus alle argwaan wegs te neemen."
Daarnaast diende hij minutieus bij te houden hoeveel slaven er op de plantage werkzaam waren en hoeveel er stierven.

Uitsnede kaart van Berbice, met plantage Arent.


De opstand van 1763

Marron in Suriname, circa 1775

De kolonie kende barre leefomstandigheden. Er werd slecht financieel beleid gevoerd en er waren regelmatig uitbraken van tropische ziekten, waardoor het minder aantrekkelijk werd voor nieuwe migranten om zich in de Nieuwe Wereld te vestigen. Een groot probleem was het drankmisbruik en de vele geweldplegingen tegen de slaven.

De spanningen in de regio liepen uiteindelijk zo hoog op, dat er in 1763 een grote opstand uitbrak. De opstand concentreerde zich in eerste instantie rondom het gebied langs de Canjé, maar breidde later uit over de gehele kolonie. Een groot deel van de Europese bevolking sloeg op de vlucht. Uiteindelijk werd de opstand bedwongen door militairen uit naburige koloniën.

De strijd had zijn sporen nagelaten in Berbice, grote stukken land waren verwoest en zes plantages waren na de opstand nog bruikbaar. Veel plantages bleken onverkoopbaar en de kolonie raakte in algehele economische malaise verzeild.

Plantage 'Den Arent' was ook na de opstand actief. Uit een lijst uit 16 juni 1774 met daarop actieve plantages en de eigenaren, blijkt dat de plantage toen nog 130 tot slaaf gestelde mensen telde. De nieuwe eigenaar was Jan Simons, woonachtig aan de zuidzijde van de Herengracht tussen de Utrechtsestraat en de Binnen Amstel. De plantage kende een hoge productie en zou in deze jaren de meeste koffie van Berbice leveren.

De kolonie duikt vandaag de dag nog in opmerkelijke vorm op in onze collectieve herinnering. Zo herinnert de uitdrukking 'naar de barrebiesjes gaan', wat zoveel betekent als kapot gaan of naar de hel gaan, aan het verstikkende klimaat dat de regio kende.


Tags

18e eeuwBerbiceSlavernijPlantages
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen