Een verdwenen schat

Historische datum 13 januari 1729 | Notaris Mattijs Maten de Jonge

Op 13 januari 1729 werd het schip 'De Jonge Abraham' voor de kust van Venezuela in beslag genomen door twee Spaanse oorlogsschepen. Kapitein Gerbrand Pranger dacht slim te zijn, hij stuurde zijn opperstuurman er in het geheim op uit om het handelsgeld veilig te stellen. Zijn schip was verloren, maar de waardevolle geldstukken kon hij misschien nog redden voor de reders thuis. Helaas mocht zijn plan niet baten… De kapitein, de opperstuurman en de constapel doen hun verhaal aan notaris Matthijs Maten de Jonge.

Opperstuurman Gerrit Brugman wachtte niet lang, nog dezelfde dag waarop het schip werd gekaapt greep hij zijn kans. Samen met 'een matroos, een jongen, en nogh een swarte jongen' vond hij gelegenheid om van boord te varen. Het geld nam hij mee in een 'flessekeldertje van ses flessen groot'. In dit houten kistje werden ' seeven a aghthondert stucken van aghtten' geborgen, zilveren munten die werden gebruikt voor de handel in Zuid-Amerika. Brugman voegde zelf nog 300 stukken toe, en begroef het fortuin vervolgens op een geschikte plek in het bos. Terug aan boord meldde hij de kapitein tevreden 'het gedachte keldertje wel geborgen te hebben'.

De volgende dag werd op bevel van de Spaanse commandant een groot gedeelte van het scheepsvolk aan wal gezet. Een van deze mensen was de matroos, die wist waar het keldertje geborgen lag. Samen met de constapel en vijf a zes anderen keerde hij terug naar de bewuste plek, om te zien of er kans was het kistje veilig te stellen. Tot hun teleurstelling was er van het keldertje geen spoor meer te bekennen.


Brugman ging van boord in Porte Cavallie, en ook hij was uiteraard vastberaden het kistje terug te vinden. De kapitein van een Curacao's schip was bereid om hem te helpen met zijn missie. De opperstuurman kreeg een 'doorie' , een klein roeibootje, inclusief 'twee swarte die hem door den commandeur van de barck wierden medegegeeven om te roeijen'. Eenmaal op de plaats van bestemming gekomen ontdekte ook hij dat iemand hem voor was geweest. Zonder de 'schatkist' keerde hij terug.

De kapitein is op 16 januari tijdens zonsondergang van boord gegaan. Samen met nog wat scheepsvolk zijn zij zo snel mogelijk naar de Krengebaai geroeid. Met behulp van de hangmatten, gekregen van de Spanjaarden, improviseerden ze een zeilschip. Nog diezelfde nacht voeren ze de zee op richting Curaçao. De mannen hadden de pech om 'dat eijland mis te drijven'', waardoor ze op Aruba terecht zijn gekomen. Na dertig dagen is de groep door een Engelse barck alsnog naar Curaçao gebracht.

De kapitein, de opperstuurman en de constapel zijn ondanks hun inspanningen alle drie met lege handen thuis gekomen. Ze weten niet wat er met het flessenkeldertje gebeurd is. Wellicht hebben de Spanjaarden lucht gekregen van de missie en de schat opgegraven. Of zouden een aantal heren stiekem zelf hun zakken hebben gevuld?

Tags

18e eeuwVenezuelaScheepsverklaring
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen