Te goeder, of te kwader trouw?

Historische datum 25 juni 1733

Baron van Hanxleden en jonkvrouwe van Nieuwekerk, zomaar twee geliefden met de wens om elkaar te trouwen. Maar op een dag klopt priester Henricus Josephus Grasper aan bij de baron. Hij eist dat de baron de trouwgelofte en alle liefdesbrieven aan hem overhandigt. Zit de moeder van de jonkvrouw hierachter? En wat is de rol van de priester in deze relationele twist? Is hij te goeder, of te kwader trouw?

Op 25 juni 1733 verscheen, op verzoek van de baron, Joan Bliem bij notaris Philippus Pot. Bliem verklaarde dat hij op 11 juni dat jaar samen met priester Grasper bij het Amsterdamse logement van de Baron was gekomen. De priester had de baron een brief gegeven afkomstig van jonkvrouw van Nieuwekerk, waarin zij schreef dat hij de liefdesbrieven en trouwgelofte terug moest geven. De baron weigerde dit, stellende dat de Jonkvrouw gedwongen was door haar moeder.

Acht dagen later bevonden Joan Bliem en Grasper zich wederom in het gezelschap van de baron. De priester vroeg aan de baron of hij de brieven dan alleen mocht lezen? De baron gaf toe. Maar nadat Grasper de brieven gelezen had stelde hij alsnog voor dat de baron de brieven aan hem, 'een goed en oprecht vriend', af zou geven. Dat had de jonkvrouw immers ook geëist? Daarbij verzekerde Grasper dat de baron op elk moment de brieven terug kon vragen. Deze belofte deed de baron de brieven aan Grasper overhandigen.

Grasper had nu wel de liefdesbrieven, maar de trouwgelofte was nog steeds in het bezit van de baron.

Twee dagen later verscheen de priester weer aan het adres van de baron; nu om ook de trouwgelofte op te vragen. De baron vertelde echter dat hij deze in Den Haag achtergelaten had, en dat hij ook niet van plan was deze af te geven.

In antwoord op deze weigering kwam Grasper met een charmeoffensief. Hij zei tegen de baron dat hij met de jonkvrouw had gesproken. Zij had hem gezegd hoeveel genegenheid zij had voor de baron. Daarop had hij haar gevraagd of zij zoveel van de baron hield, dat zij met hem met hem wilde trouwen? Waarop zij had geantwoord: 'dat kun je immers wel uyt myne brieven zien, en volgens myn gegeven trouwbelofte kan ik ook immers met niemand, als met hem trouwen'.

Grasper voerde de druk op bij de baron. Als deze laatste zich wilde blijven verzekeren van de liefde van de jonkvrouw, dan zou hij de trouwgelofte toch echt aan hem moeten meegeven. De wantrouwige moeder van de jonkvrouw had namelijk herhaaldelijk gevraagd of haar dochter echt geen trouwgelofte aan de baron had gegeven. Wanneer de schriftelijke belofte in handen van Grasper zou zijn, stelde hij, dan zou hij verklaren dat de baron deze nooit had ontvangen. Ook de trouwgelofte zou de baron, net als de brieven, op elk moment terug kunnen vragen.

Het uit handen geven van de trouwgelofte bleek ook niet genoeg. Op 21 mei keerde Grasper nog éénmaal terug naar het huis van de baron. Hij vertelde dat de jonkvrouw de baron toegang tot haar huis wilde verlenen en dat hij haar moeder ook eens moest ontmoeten om ook diens genegenheid te winnen. Dit zou alleen gerealiseerd kunnen worden als hij zich zou ontdoen van een heimelijke verbintenis met de jonkvrouw. Grasper toonde een brief aan de baron waarin de jonkvrouw ditzelfde verzoek had geschreven.

De baron wees het verzoek resoluut af. Hij stelde dat de jonkvrouw nooit van hem gescheiden zou willen zijn en zei dat de jonkvrouw dit briefje onder dwang van haar moeder had geschreven.

Het was volgens de priester ook nooit de intentie van de jonkvrouw geweest om te scheiden, maar zij had dit voorstel gedaan om haar moeder te plezieren. Een aanhoudende weigering van de baron zou ongenoegen van de jonkvrouw betekenen en Grasper zou zich dan ook niet meer in het voordeel van de baron inzetten in deze kwestie. En een getekend briefje met de toezegging dat de baron van de jonkvrouw zou scheiden zou Grasper nooit aan de jonkvrouw en haar moeder tonen, zo stelde de priester gerust. Hij zou de verbintenis zelf mondeling verbreken.

Uiteindelijk tekende de baron - met de woorden dat hij nooit van de jonkvrouw zou scheiden, zo lang als hij leefde.

'dat zij het alleenlijk deed om haere moeder daer mede te paeijen'

Dan verschijnt er een tweede getuige ten tonele. Dirk Speer getuigt dat Grasper ongeveer veertien dagen daarvoor bij zijn huis is gekomen en vertelde hoe hij 'gepersuadeert' werd om alle papieren inzake de kwestie te overhandigen.

Speer raadde het Grasper ernstig af de papieren mee te nemen zonder toestemming van de baron en waarschuwde voor de 'quade gevolgen die daer uijt zoude kunnen spruijten'. Grasper zei dat dat hij niet anders kon, waarna Speer het opgaf: 'zie toe, wat gy doed, en laat u tenminsten voor alle namaning guaranderen'.

Wat er uiteindelijk met de brieven, de gelofte en de getekende scheiding gebeurd is vertelt de getuigenis niet. Heeft de priester met goede intenties gehandeld? Of zijn ze uiteindelijk toch in handen gekomen van de moeder van de jonkvrouw en werden daarmee de twee geliefden uit elkaar gedreven?

Deel artikel

     
Geplaatst op

18 oktober 2018
Auteur

Redactie
Bron

   Attestatie 25-06-1733
Gerelateerd

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen