Niet Aletta, maar Trijn: Amsterdams eerste vrouwelijke chirurgijn

Notaris Pieter van Perssen

Werkende vrouwen in vroegmodern Amsterdam lijken soms wel afwezig. Veel vrouwen waren natuurlijk actief in de huishouding of namen de zaak van hun man waar nadat deze was overleden, maar vrouwen die bijvoorbeeld een beroep in gildeverband uitoefenden, lijken een zeldzaamheid. Dat dit toch voorkwam in de meest gerespecteerde beroepsgroepen van Amsterdam, toont de vondst van een aantal akten bij notaris Pieter van Perssen aan. Hierin wordt melding gemaakt van Trijn Jacobs, de eerste vrouwelijke chirurgijn van Amsterdam.

Een eerste akte uit 1627 betreft een oproep tot het geven van aalmoezen voor de behandeling van een vrouw die ongeneselijke wonden aan haar been had. Deze vrouw was al door vele mannelijke dokters en heelmeesters zonder enig resultaat behandeld toen wonderdokter Trijn Jacobs zich bij haar bed aandiende.

'‘Tis nu soo dat binnen der Stede Amsterdamme seeckere Vrouwe ende meesteresse is, genaemt Trijn Jacobs, sijnde int gilt van de chirurgijns die voor langhe Jaren de Stadt in besundere patienten bedient heeft, veele extraordinariss curen gedaen heeft’'

Trijn behandelde de vrouw succesvol, waardoor zij al binnen enkele dagen weer met behulp van krukken kon lopen. Omdat Trijn Jacobs had gezegd de 'arme, soobere ende geringhe vrouwe' verder te kunnen behandelen, werd bij de notaris de oproep tot zeventiende eeuwse crowdfunding vastgelegd. Jacobs was in staat, zo liet ze oppennen, om de vrouw zonder steun van krukken weer te kunnen laten lopen. Daarvoor was zij in verband met kosten voor kostpenningen, medicamenten en meestersloon wel afhankelijk van aalmoezen.

Een tweede akte werd opgetekend op 9 juni 1627 ten verzoeke van Jelle Hanssen van Harlingen. Jelle verklaarde vier jaar eerder te zijn besmet met een niet nader genoemde kwaal waarvan Trijn Jacobs 'huijsvrouwe van Mr Tomas Tomassen meesteresse sijnde int Gilt van de Chirurgijns ende in dienst van Stadtspatienten' hem had beloofd te zullen genezen. Goedkoop was de behandeling bepaald niet: Jelle verklaarde de behandeling te zullen ondergaan voor het bedrag van 60 gulden (vermoedelijk volgens het principe no cure, no pay).

Drie jaar later, op 27 juli 1630, verschijnt Trijn Jacobs in hoogsteigen persoon voor notaris Van Perssen. Samen met chirurgijn Anthoni Houtewael legt ze een verklaring af over de behandeling van Lijssgen Thijssen uit Zuiderwoude. Deze schippersvrouw had zich eerder bij een dokter in Monnikendam gemeld vanwege 'seeckere hette ende brandt die sij in haer lichaem hadde, seggende dat sij van het moer spul gequelt was' en waarvoor hij haar een drank had gegeven tegen de (Spaanse) pokken. Klaarblijkelijk was deze behandeling niet aangeslagen, want korte tijd later meldde Lijssgen zich bij Trijn Jacobs in Amsterdam. De diagnose die haar Monnikendamse collega had gesteld leek Jacobs onwaarschijnlijk. Nadat zij de patiënte had laten braken, onderzocht Jacobs samen met de Amsterdamse chirurg Anthoni Houtewael het bloed van Lijssgen. Drie dagen na de aderlating bevonden beide medici het bloed van Lijssgen goed en verklaarden zij haar gezond.

De drie akten over Trijn Jacobs bij notaris Van Perssen tonen aan dat Trijn Jacobs lid was van het Amsterdamse chirurgijnsgilde en actief behandelingen uitvoerde. Zij genoot een goede reputatie en behandelde niet alleen vrouwen aan typische 'vrouwenkwalen' maar ook mannen. Ze ontving een meestersloon en werkte samen met andere chirurgen, waaruit blijkt dat zij een volwaardig lid was van de medische gemeenschap in Amsterdam. Daarmee neemt Trijn Jacobs een unieke positie in in de vroegmoderne medische wetenschap in Amsterdam. Bekend is dat vrouwen in de vroegmoderne tijd incidenteel ook in andere Hollandse steden actief waren in de geneeskunde. Vaak beperkte de taken zich wel tot de functie van vroedvrouw, weduwe die de praktijk van haar man met behulp van een knecht voortzette of geneeskundige die gespecialiseerd was in de behandeling van aandoeningen die zich bij vrouwen voordeden in de borst- en schaamstreek. En natuurlijk was er de categorie van dubieuze kwakzalfsters.

Gebaseerd op een tweetal ondertrouwregistraties in Enkhuizen en Amsterdam is het aannemelijk dat Trijn Jacobs in de jaren zeventig van de zestiende eeuw geboren werd in Enkhuizen. In 1594 trouwde zij in haar geboortestad, waarna zij in 1619 hertrouwde in Amsterdam met de ongeveer tien jaar jongere Thomas Thomasz. Volgens een akte bij de Amsterdamse notaris Fredrick van Banchem, was haar man in 1616 'pockmeester', wat deels verklaart waarom Trijn Jacobs in staat was succesvol besmettelijke ziekten zoals pokken te bestrijden.

Tags

17e eeuwAmsterdamFrederik van BanchemGildenVrouwen
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen