‘Gij moet mij laaten vaaren’

Historische datum 20 december 1759 | Notaris Jelmer de Bruijn

Toen het scheepsvolk van het hoekerschip de Prins van Oranje op 19 februari 1759 vanuit Texel naar Curaçao vertrok, was de hele wereld in de ban van de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) en daar kregen ook de scheepslieden al snel mee te maken. Hoewel de Republiek neutraal was, weerhield het de Engelse kapers er niet van om ook Hollandse schepen buit te maken. Na vele doodsangsten te hebben uitgestaan, komt het overgebleven scheepsvolk van de Prins van Oranje naar notaris Jelmer de Bruyn om een uitgebreide verklaring af te leggen van alle gruwelijkheden die zij hadden doorstaan.

De Prins van Oranje vertrok onder konvooi van de oorlogsschepen het Zeepaart en het Haarlemmerhout richting Curaçao, maar raakte de andere schepen al snel kwijt en moest alleen verder. Op 13 april komt het scheepsvolk bij het eiland Blanco een Engelse kaper tegen, die de Prins van Oranje in beslag neemt. Kapitein Pieter Thijse en opperstuurman Matthijs Wijners gaan met enig ander scheepsvolk aan boord van de Engelse kaper. De andere bemanningsleden blijven met Engelse scheepslieden achter op de Prins van Oranje. Twee dagen lang gebeurt er niets en de scheepslieden wachten hun lot af. Hoewel de Hollandse scheepslieden in principe geen vijanden van de Engelsen waren, besluit de kapitein het schip toch te plunderen en op te brengen. Waarheen de getuigen gaan, wordt hen niet verteld. Ze varen naar een onbekende plek verder.

Twee dagen later wordt er een vloot gespot. De Engelsen menen dat het Fransen zijn – de vijand! Uit paniek wordt het Nederlandse scheepsvolk dat nog aan boord was, teruggestuurd naar de Prins van Oranje en de Engelse bemanningsleden worden naar hun kaperschip teruggebracht. De Engelsen vluchten en de net bevrijde Hollanders zien de vloot steeds dichterbij komen. Het zijn wel zestien schepen, die allemaal op de Prins van Oranje afkomen. En helaas. Als de vloot dichterbij komt, zien de bemanningsleden 'dat het alle Engelse […] kaaperscheepen waren.'

Er worden schoten gelost, en het schip wordt weer geplunderd. De Engelsen laten de meeste vaten bier en wijn leeglopen over de droge goederen, de rest wordt door hen 'als wilde schepsels […] opgesoopen.' De lading is geruïneerd en de bemanning kan niets anders doen dan afwachten wat er nu weer zal gebeuren. De getuigen, die eerder ook al als enigen overbleven op hun schip, worden ook nu weer achtergelaten in gezelschap van Engelsen. Thijse en Wijners zijn weer de klos en worden naar een Engels schip gebracht, waar zij ondervraagd worden. Alle scheepspapieren worden opengemaakt en gelezen.

De kapers vertrouwen het niet: ze zijn ervan overtuigd dat Thijse en zijn volk Fransen zijn, onderweg naar de Franse eilanden. Thijse antwoordt dat dat onzin is, ze kunnen immers in zijn papieren zien dat ze uit de Republiek komen. Er ontstaat een discussie onder de kapiteins van de vloot. Zes kapiteins stellen voor het schip en scheepsvolk vrij te laten. Jammer genoeg denkt de commandant daar anders over: het schip moet opgebracht worden.

De kapiteins keren zich weer tot Thijse met de vraag of hij echt niet wil verklaren dat zijn schip aan de Fransen toebehoort, en willen hem zelfs omkopen. Het zou voor hen immers gunstig zijn als het zou lijken alsof ze een vijandelijk schip gekaapt hadden. Maar Thijse moet er niets van hebben: 'Ik ben nooijt een schelm geweest en soek het ook niet te worden, mijn schip en laading zijn beyden vrij en direct naa Curaçao gedestineerd, dus moet gij mij laaten vaaren, en mijne reijs laaten vervolgen, zoo niet siet [ik] dan wel toe wat gij doet.' Dat laten varen gaat niet door: de Prins van Oranje moet mee naar Jamaica.

Op 30 april ankeren de schepen in Kingston, Jamaica. Zodra Thijse de kans krijgt om aan wal te gaan, probeert hij een tussenpersoon te vinden, die de scheepslieden vrij kan krijgen. Maar 'dog dat hij als geen addres aldaar hebbende, geen een mensch heeft kunnen vinden, die zulks wilde doen' en hij kwam terug naar zijn bemanning met het nieuws 'dat hij geen hulp konde vinden en buiten raat was.'

Maar Thijse houdt vol. Zestien dagen lang zoekt hij door. Eindelijk vindt hij een tussenpersoon: Charles Seymour. Na lang geweigerd te hebben, gaat hij in op het verzoek van Thijse, op voorwaarde dat Seymour duizend pond zal ontvangen en dat Thijse hiervoor zijn schip moet verpanden. De tijd dringt: als er binnen vijf dagen geen hulp komt, wordt het schip geconfisqueerd door de Engelsen en dan is het maar de vraag wat er met de bemanning zal gebeuren. Hoewel Thijse zelf twijfelt, zeggen de scheepslieden dat hij de voorwaarden moet accepteren; er waren immers andere Hollandse schepen in Jamaica opgebracht, die met dergelijke eisen of zelfs meer hun vrijheid bekochten. Maar ondanks dat Thijse het schip laat verpanden en Seymour zijn geld heeft gekregen, is er nog ruim duizend pond nodig voor onkosten. Het scheepsvolk overtuigt hem om zoveel goederen als nodig te verkopen op een publieke veiling, wat vervolgens gebeurt.

En het werkt: de Prins van Oranje wordt eindelijk vrijverklaard. Maar, wat nu? Het scheepsvolk bestaat nog maar uit zes man, waarvan maar één matroos, want alle andere bemanningsleden waren op de Engelse kaperschepen in dienst gesteld. Thijse probeert matrozen in te huren om naar Curaçao te varen, maar niemand wil mee omdat de meeste matrozen vrezen weer gekaapt te worden. Thijse besluit dat varen naar Curaçao geen zin heeft; met zo weinig bemanningsleden 'konde [hij] geen zee bouwen.' De resterende lading wordt verkocht en de Prins van Oranje vertrekt op 26 augustus eindelijk naar huis, naar Amsterdam.

Maar ook nu zit het weer niet mee. De vele stormen zorgen ervoor dat het schip uit elkaar begint te vallen. Met moeite proberen de bemanningsleden dag en nacht lekkages te dichten en water uit het schip te pompen. Wonder boven wonder bereiken ze de Noordzee, maar hier blijkt het nog harder te stormen. Voor Katwijk aan Zee gooien ze het anker uit en proberen ze het land te alarmeren, maar door de storm kan er geen hulp komen. In uiterste 'doodsnood' wordt het anker gekapt. Het schip drijft richting het strand van Katwijk en raakt daar vast. Het scheepsvolk laat twee vaten met touwen richting land drijven, en mensen aan land weten dankzij het touw met een bootje bij het schip te komen om een paar bemanningsleden te redden. Als het bootje terugkomt om onder andere kapitein Thijse te redden, is het half volgelopen met water en kan het niet dichtbij het schip komen. Met een touw weten de overige mannen één voor één in het bootje te komen. Thijse verliest hierbij al zijn scheepspapieren: processtukken, zeebrieven, rekeningen, passen en nog veel meer.

Het scheepsvolk was net op tijd: nauwelijks een uur later wordt de Prins van Oranje door de zee in stukken geslagen. Het schip en de goederen zijn verloren gegaan en er zijn tijdens de gehele reis vier bemanningsleden overleden. Een tragische reis, waarbij 'een ieder verblijt was zijn leeven te hebben gesalveert.'

Tags

18e eeuwKapingCaribisch gebiedOorlog
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen