De vele levens van Joris de Wijse

Notaris Joris de Wijse

Over Joris de Wijse valt veel te vertellen. Hij werd op jonge leeftijd notaris maar was ook actief als schutter, toneelschrijver, dichter, kunsthandelaar, invorderaar van de uitstaande schulden van de stad en impostmeester van de wijnen. Hij heeft veel sporen achtergelaten en daaruit komt niet alleen het beeld van een succesvolle Amsterdammer uit de Gouden Eeuw naar voren, ook een minder fraaie kant van zijn leven drijft boven…

Een bijdrage van Laurien van der Werff.

De Wijse werd op 7 januari 1621 gedoopt in de Oude Kerk te Amsterdam. Zijn ouders waren waarschijnlijk afkomstig uit Duitse gebieden en daar getrouwd. Vader Jurriaen, die tijdens zijn leven onder andere de functie van accijnsmeester van de Waag bekleedde, heeft ervoor gezorgd dat Joris een goede opleiding zou genieten. In een contract van 2 september 1637 besteedt Jurriaen zijn zestienjarige zoon uit aan notaris Johan Dirksz Verheij. Joris zou voor de duur van twee jaar in de leer gaan bij Verheij en lessen van de 'E[dele] heeren professoren' aan het Athenaeum Illustre zowel als privélessen volgen om geoefend te worden 'inde theorie ende practique van het notariaetschap ende de maniere van procederen in civile saecken'. In ruil hiervoor zou Jurriaen 200 gulden per jaar, wat geen gering bedrag was, betalen en zelf het bed en de was van zijn zoon verzorgen. Daarnaast zou hij de vrouw van Verheij nog een geschenk geven.

De Wijse werd na zijn leertijd op 4 september 1640 genomineerd tot notaris, maar vermoedelijk heeft het nog enige tijd geduurd voordat hij daadwerkelijk aan de slag kon. Omdat er binnen Amsterdam maar een bepaald aantal notarissen tegelijkertijd actief mocht zijn, moest men soms wachten totdat er een plek vrijkwam door het overlijden of de uitambtzetting van een andere notaris. De Wijses eerste protocol begint in 1644 – hij was toen 23 – en het is dan ook goed mogelijk dat hij in dat jaar zijn notarispraktijk begon. In de tussentijd was hij eind december 1642 in ondertrouw gegaan met Adriana van Heusden, met wie hij in ieder geval zes kinderen zou krijgen. Hun huwelijk zou niet fraai eindigen, maar daarover later meer.

Joris was niet alleen notaris, hij hield zich ook met uiteenlopende andere zaken bezig. Ten eerste was hij in 1648 door het stadsbestuur aangesteld als invorderaar van de uitstaande schulden van de stad. Later zou hij impostmeester van de wijnen worden. Ook was hij actief als toneelschrijver. In 1646 kwam het door hem geschreven stuk De vryaadie van Lactance en Nicole uit, dat van 1646 tot 1651 veertien keer in de Amsterdamse Schouwburg werd opgevoerd. In 1649 werd zijn bewerking van Felix Lope de Vega's El cuerdo loco voor het eerst opgevoerd onder de titel Voorzigtige Dolheit, hof-spel. Dit stuk zou lange tijd zeer populair blijven: er zijn zes gedrukte uitgaven van bekend, verschenen tussen 1650 en 1729, en het werd tussen 1649 en 1743 maar liefst 78 keer ten tonele gevoerd. In de bundel Hollantsche Parnas, of verscheyde gedichten uit 1660, samengesteld door schouwburgregent Tobias van Domselaer, zijn drie gedichten van De Wijse te vinden.

.

Daarbij was hij schutter in de compagnie van wijk I en zodoende is hij terug te zien op een schilderij van Govert Flinck. Dankzij dit schuttersstuk weten we hoe Joris eruitzag, maar nog leuker is dat we ook een beeld hebben van zijn vrouw Adriana. Zij is rond 1661-1663 geportretteerd door Emanuel de Witte, die van 1658 tot 1663 bij het echtpaar inwoonde en een zakelijke overeenkomst met onze notaris was aangegaan. Tegen gratis kost en inwoning en een jaarlijkse toelage van 800 gulden zouden alle door hem in dat huis gemaakte schilderijen voor De Wijse zijn. Dit impliceert dat De Wijse toen in kunst handelde, want het is niet waarschijnlijk dat hij al deze schilderijen zelf hield. Het portret van Adriana op de vismarkt was een van de vier schilderijen die De Witte in 1663 had meegenomen toen hij huize De Wijse-Van Heusden verliet. Jaren later, in 1669, zou Adriana met haar tweede man Johannes van Heede deze schilderijen terugeisen – ze waren immers gemaakt in de tijd dat De Witte bij haar inwoonde en dus behoorden ze haar toe – en uiteindelijk na een juridische strijd terugkrijgen in 1670.

In het jaar waarin De Witte uit kost ging verliet ook De Wijse het huis en kwam zijn notariële carrière op een bijzondere wijze ten einde. Toen op 17 augustus 1663 werd besloten een andere notaris in zijn plaats aan te stellen, gebeurde dit niet – zoals in de meeste gevallen – omdat hij was overleden. Wat was er dan wel gebeurd? Onder andere uit een attestatie van 6 december 1663 blijkt dat De Wijse 'fugitief' oftewel voortvluchtig was. Inmiddels zou hij zich in Antwerpen bevinden en de getuigen hadden gehoord dat hij eerder 'met seecker vrouwspersoon' gezien was in Alphen, Dordrecht en Gouda. De vrouw met wie hij ervandoor was gegaan was de ruim twintig jaar jongere Anna Winters, met wie hij al langere tijd een affaire had.

Dankzij het speurwerk van P. van Eeghen is hierover veel bekend. De hele situatie was destijds een waar schandaal en moet, onder andere wegens de duur en de publieke bekendheid ervan, zeer pijnlijk geweest zijn voor Adriana. Dit alles blijkt uit een reeks attestaties die veel later, in 1675, zijn opgemaakt voor notaris Salomon van der Sluijs. Aanleiding was het voorgenomen huwelijk van Jacobus Minne en Anna. Zij zou voor de derde keer trouwen en hij voor de eerste keer. Hij was echter nog minderjarig en zijn voogden zagen het huwelijk absoluut niet zitten. Het stel ging desondanks op zaterdag 20 april 1675 in ondertrouw. Op diezelfde dag lieten de voogden de eerste van vele getuigenissen over het wangedrag van Anna vastleggen.

De toekomende bruid zou een zeer oneerbaar leven hebben geleid, zichzelf op structurele basis hebben geprostitueerd en haar vorige echtgenoot dermate hebben geteisterd dat hij haar uit wanhoop had verlaten. Wat voor ons interessant is zijn de attestaties die gaan over het overspel van De Wijse en Anna. Anna was in 1659 te Utrecht getrouwd met predikantszoon Cornelis Slosius. Niet lang daarna vestigde het jonge echtpaar zich in Amsterdam, waar Cornelis werkzaam was als wijnkoper. Het is waarschijnlijk door Cornelis' beroep dat hij en Anna in aanraking kwamen met De Wijse, die destijds ook impostmeester van de wijnen was. Wanneer de relatie tussen Anna en Joris precies begon is niet helemaal duidelijk, maar dankzij de attestaties zijn er wel veel details over hoe het eraan toe zou zijn gegaan.

Op 31 mei 1675 verklaarden verschillende getuigen destijds van Anna gehoord te hebben dat zij en Joris elkaar ontmoetten op verschillende adressen, onder andere in de Sint-Jacobsstraat en op de Nes. Ze hadden een vindingrijke manier ontwikkeld om die heimelijke afspraken te maken. De Wijse bezocht Cornelis en Anna regelmatig en dan nam hij 'appelen de Cinaa', oftewel sinaasappels, en nootmuskaten mee. In een van de vruchten verstopte hij dan 'in een uytgeholde plaets, een brieffie waar op gestelt was de tijd en plaets om bij den anderen te komen'.


Caspar Aldenhoven en Jan Frappé, voormalige confraters van De Wijse, verklaarden op 25 mei 1675 dat Adriana hen ten tijde van de affaire meerdere malen 'met schreyende oogen' had verteld dat ze wist van het bedrog van haar man, die haar meermaals had beloofd ermee te stoppen maar dat niet deed. Ook had ze aan Aldenhoven verteld dat Joris 'eenige maenden langh niet bij haar geslapen hadde' en dat ze brieven had waarmee ze het overspel kon bewijzen. Ten tijde van de attestaties was Adriana al overleden, maar uit een attestatie van 20 april blijkt dat haar tweede echtgenoot Johannes de brieven nog in bezit had. Toen de voogden van Minne hem verzochten die brieven aan hen te overhandigen heeft hij dit echter geweigerd, 'sijn redenen hadde wegens de onmondige kinderen van zyn vrou zal[iger]'. Dit is tekenend voor de impact die de affaire moet hebben gehad op de kinderen van Joris en Adriana; Johannes heeft zijn stiefkinderen hiermee verder leed willen besparen.

Uit de attestaties komt naar voren dat de affaire een steeds minder geheim karakter aannam. Zo was Adriana op een dag Joris en Anna in een wagen tegengekomen op de Overtoom. Ze bleken samen naar Beverwijk te zijn gegaan en toen Adriana later naar de voerman – bijgenaamd Goede Jacob – ging om verhaal te halen, vertelde hij haar dat Joris en Anna 'bij malcanderen geslapen' hadden. Goede Jacob voegde hieraan toe dat hij het De Wijse meerdere malen had afgeraden en hem had gezegd 'bent ghy dol, daer je zoo een brave vrou thuijs hebt dat ghij met soo een hoer te bedde soude gaen'.

Anna's echtgenoot was op 5 mei 1663 begraven en over de aanleiding van zijn dood gingen wilde verhalen: Anna zou hem hebben vergiftigd. Slosius' schoonzus Aeltie Wilderinx verklaarde op 31 mei 1675 dat hij haar op zijn sterfbed had verteld dat hij ziek was geworden na het eten van groene koekjes die zijn vrouw had gebakken. Ze zou deze koekjes ook aan Joris hebben meegegeven voor Adriana. Aeltie en andere familieleden van Slosius waren destijds naar Adriana gegaan, maar zij verklaarde de koekjes niet te hebben gezien. Later vertelde ze hen echter Joris ernaar gevraagd te hebben en blijkbaar had hij de 'groene koekiens in sijn neus doek mede genomen doch die in't water gesmeten' bij de Torensluis.

Anna en Joris moeten enige tijd na de begrafenis van Cornelis naar Antwerpen zijn vertrokken om vervolgens terug te keren naar de Republiek. Vermoedelijk vestigden ze zich in Utrecht. Adriana verklaarde in juni of juli 1666 voor de Weeskamer dat haar man in Utrecht was overleden. Zou de Joris de Wijse die volgens de Utrechtse begraafregisters op 12 februari 1666 in de Jacobikerk was begraven, ten tijde van zijn overlijden soldaat was, niet uit Utrecht kwam en vrouw en onmondige kinderen achterliet, dan onze notaris zijn? Dat is gezien het bovenstaande en de relatieve zeldzaamheid van zijn naam zeer waarschijnlijk. En dan lijkt het erop dat Joris' avontuur met Anna niet gelukkig is geëindigd, want zij was al in juni 1665 in de Domstad hertrouwd.

Geraadpleegde literatuur

Blom, F. R. E. en O. van Marion, 'Lope de Vega and the Conquest of Spanish Theater in the Netherlands', Anuario Lope de Vega 23 (2017) 155-177.

Bosma, A.I., Repertorium van notarissen residerende in Amsterdam, Amstelland, ambachtsheerlijkheden en geannexeerde gemeenten, 1524-1810 (Amsterdam 1998) 23 en 128.

Bredius, A., 'Bijdragen tot de biographie van Pieter de Hoogh', Oud Holland 7 (1889) 161-168, aldaar 166-167.

Brière-Misme, C., 'Un petit maître hollandais : Emmanuel de Witte', Gazette des Beaux-Arts 65 (1923) 7, 137-156.

Eeghen, I.H. van, 'Twee zeventiende eeuwse notarissen: Joris de Wijse en Jeuriaan de Vos', Maandblad Amstelodamum 67 (1980), 102-108.

Eeghen, P. van, 'Een fatale vrouw', Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie XV (1961) 180-211.

Rüger, Axel, 'Emanuel de Witte. Portret van Adriana van Heusden en haar dochter op de vismarkt in Amsterdam c. 1662' in: Quentin Buvelot ed., Hollanders in beeld. Portretten uit de Gouden Eeuw (Zwolle 2007) 224-225.

Tags

17e eeuwFamilieGouden EeuwVrouwenAttestatieGovert Flinck
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen