Onbekende kapers & een vermist galjoen

Historische datum 9 september 1628 | Notaris Pieter van Perssen

Het is wellicht één van de meest tot de verbeelding sprekende gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis: de verovering van de zilvervloot. Dankzij prenten, publicaties en natuurlijk het fameuze lied is deze gebeurtenis nog altijd prominent aanwezig in het Nederlandse collectieve geheugen. Dankzij Alle Amsterdamse Akten komen nu ook onbekende kanten van het verhaal boven water.

Over de daden van Piet Heyn is al het nodige geschreven, maar dankzij akten komen we nu ook meer te weten over zijn bemanning. Na terugkomst van Heyn's vloot aan het eind van 1628 en het begin van 1629 (de 23 schepen kwamen op verschillende plaatsen en tijden terug) gingen diverse bemanningsleden namelijk naar de notaris om de inning van hun gages -en ditmaal vooral ook buitgelden- te regelen. Op deze manier treffen we bij notarissen Lamberti, Westfrisius en Mathijsz voor de periode van 14 februari tot en met 13 mei 1629 alleen al vier akten aan waarbij een soldaat van Haarlem, een bootsgezel van Antwerpen, een chirurgijn en een bosschieter zorgden dat zij of hun schuldeisers het geld kregen waar ze recht op hebben. Hoewel respectievelijk Dirck Jansz, Pieter Pietersz, Huijbert Huijbertsz en Salingh Salinghss natuurlijk een fractie uitmaakten van de in totaal duizenden koppen tellende bemanning, is het goed dat we nu ook de kapers kennen waarvan de namen niet eens klein, maar onbekend waren.

Echt interessant wordt het pas bij een tweetal akten die zijn opgemaakt voor notaris Pieter van Perssen. De laatste van de twee akten dateert van 13 mei 1629 en is een verklaring waarin getuigen verklaren dat Geesge Alberts de weduwe is van Paulus Sluijms, die als opvarende van het WIC-schip Haerlem was omgekomen in gevecht met de 'Spaense vice-admirael'. Om deze opmerking iets beter te kunnen duiden moeten we terug naar de septemberdagen van 1628. Piet Heyn had juist kunnen voorkomen dat de Nova Hispania-vloot -oftewel de Spaanse vloot die uit hedendaags Mexico kwam- aan kon meren in Havana. Daar was de vloot veilig en kon het wachten op de komst van de Terra Firma-vloot (met het zilver uit de mijnen van Latijns-Amerika) om zo gezamenlijk de retourvaart naar het Iberisch schiereiland te aanvaarden. Heyn joeg de vloot –bestaande uit vier galjoenen en de nodige koopvaarders- op, waardoor zij koers zetten naar de Baai van Matanzas. Een stuk of tien kleinere koopvaardijschepen was inmiddels al gekaapt door de 23 schepen van Heyn. Wat volgde, was een welhaast surrealistische scène waarbij de vier gigantische Spaanse galjoenen (elkaar ongeveer twee tot driemaal zo groot als het vlaggenschip Amsterdam) vastraakten in ondiep water en waarbij wanhopig door de Spanjaarden werd geprobeerd nog iets van de lading aan land te krijgen. Tijdens het gevecht dat hiermee gepaard ging, moet dus ook Paulus Sluijms zijn omgekomen.

Dankzij het Iaerlijck Verhael van Joannes de Laet, dat als één van de weinig bronnen de ontstaansgeschiedenis van de WIC beschrijft, kunnen we nagaan wat er na de verovering van de zilvervloot gebeurde. Eind september werden twee jachten naar de Republiek gestuurd om de bewindhebbers op de hoogte te stellen. Ondertussen werd begonnen met het overbrengen van de lading naar de WIC-schepen zodat de Tierra Firma-vloot Heyn's kapersbuit niet alsnog kon afnemen. Van de veroverde schepen gingen alleen de vier galjoenen plus één gekaapt koopvaardijschip mee naar de Republiek, de overige schepen werden na het lossen de grond in geboord of verbrand. Op 5 oktober aanvaarde Heyn's vloot de terugreis. Eén van de vier galjoenen, de San Juan, bleek een week later al zo lek dat het net voorbij de Bermudadriehoek werd verbrand. Eind november kwamen de eerste vijf beladen schepen aan in Republiek. Vanwege slecht weer besloot Heyn begin december Falmouth binnen te zeilen. Het galjoen San Anna, dat de hele reis al behoorlijk lek was, werd hier ontdaan van het laatste bruikbare en vervolgens verkocht. Eind december en begin 1629 liepen vervolgens de laatste WIC-schepen de havens van de Republiek binnen. Behalve één schip, waarover De Laet vermeldt: 'uytghenomen een van de Spaensche Galleoenen, d'welck by quade gissinghe in 't verkeert Canael gheraeckt zijnde op de Custe van Yrlandt strande'.

Van de vier galjoenen werd er dus één verbrand, één verkocht, één moet wél de Republiek hebben gehaald en één galjoen verdween dus onder onduidelijke omstandigheden voor de kust van Ierland. Over de geschiedenis van dit laatste galjoen verhaalt een attestatie die op 24 maart 1629 werd opgemaakt voor notaris Pieter van Perssen. Hierin verklaren een Zwartsluizer bosschieter van het WIC- schip Utrecht en een bootsgezel van de Gelderlandt op verzoek van weduwe Annitgen Hendricxs dat zij met haar overleden man Geurt Pietersz hadden gediend. Alle drie de mannen waren op de terugweg aangesteld op een Spaans galjoen, maar bootsgezel Pietersz was 'een maent voor ende all eer sij het voorss Gallioen in Yierlandt in Castelhaven verlooren' overleden en was en vanaf het galjoen overboord gezet. Dankzij deze verklaring is het dus mogelijk om één van de galjoenen van Heyn te localiseren voor de kust van Castelhaven in het zuidelijkste puntje van Ierland. Het galjoen dat hier zou moeten liggen betreft (afgaande op de beschrijving van De Laet) de San Gertrudis of de Montague. Wie weet wat voor geheimen het galjoen, dat wellicht nog op de bodem van de Keltische Zee ligt, nog meer prijsgeeft…

Tags

17e eeuwCubaPiet HeynZilvervlootWest-Indische Compagie (WIC)Caribisch gebied
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen