‘Een swarte slaaven jongen, voor dito een rode muts’

Historische datum 18 februari 1764

Reizende Amsterdammers brachten allerlei zaken mee vanuit de overzeese koloniën. Soms kwamen er echter niet alleen materiële goederen mee, maar ook mensen in slavernij. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een boedelinventaris opgemaakt door notaris Philippus Pot van de bezittingen van een passagier aan boord van een schip dat in 1764 vanuit Suriname in Amsterdam was aangekomen. Onder de bezittingen bevonden zich niet alleen goederen, maar ook een tot slaaf gemaakte jongen.

Ergens in september 1764 ging Jan Jeltema (1724-1764) als passagier aan boord van het schip De Hollandia om van Suriname naar Amsterdam te reizen. Vlak voor zijn vertrek maakte hij nog een belangrijke wijzing in zijn testament, maar daarover later meer. Uit dit testament blijkt dat zijn gezondheid niet al te best was: hij was 'ziekelyk naer den lichaam en in de bedde liggende.' De reis naar Amsterdam overleefde hij niet, hij stierf onderweg.

Toen het schip in november in Amsterdam aankwam, werd er dan ook meteen op verzoek van zijn familie door kapitein David Speet en notaris Philippus Pot een inventaris van Jeltema's bezittingen aan boord gemaakt. Jeltema lijkt zijn hele hebben en houwen mee te hebben genomen aan boord: twee zilveren zakhorloges, dertien witte mutsen, een blik met chocolade, boeken, twee witte tafelkleden, en zelfs een bed met matras.

Maar Jeltema's bezit bestond niet alleen uit goederen. In de boedelinventaris bevond zich eveneens 'een swarte slaaven jongen.' De naam van de jongen worden niet genoemd, maar hij is in slavernij vanuit Suriname meegebracht naar Amsterdam. De jongen had een rode muts, een rokbroek, een kamizool, een sjaaltje en een spiegeltje bij zich.

Deze jongen was niet de enige tot slaaf gemaakte die mee werd genomen vanuit de overzeese gebieden. Plantagehouders en handelaren namen regelmatig slaafgemaakten mee naar de Republiek. Lange tijd was de status van deze mensen in de Republiek onduidelijk. In de Republiek bestond slavernij niet, en deze mensen kwamen mee als "bezit." Daarnaast was er vanaf het midden van de zeventiende eeuw al een vrije zwarte gemeenschap in Amsterdam. Velen zagen dan ook hun kans dan ook schoon om slavernij te ontvluchten. Nieuwe regelgeving in 1776 maakte een einde aan deze onduidelijkheid: slaafgemaakten werden niet automatisch vrij wanneer zij voet zetten in de Republiek. Dat gebeurde pas als zij daar langer dan een jaar verbleven.

Naast het maken van een boedelinventaris gaven Jeltema's familieleden de opdracht zijn in Suriname opgemaakte testament te openen. Daaruit blijkt dat hij al zijn goederen, 'zoo roerende als onroerende, 't zij van huijsen, slaaven, meubelen, linnen en wollen, goud en zilver, gemunt en ongemunt,' et cetera aan zijn broer en zus in Amsterdam naliet.

Opvallend is eveneens een aanvulling op Jeltema's testament, vlak voor zijn vertrek naar Amsterdam. Hij droeg de executeur van zijn testament op om de slaafgemaakte vrouw genaamd Tina, bezit van Pieter van Akeren (1729-1779), van hem te kopen 'voor soodanige prijs als deselve bij prisatie zal koomen te monteeren.' En daar bleef het niet bij. Vervolgens moest de executeur voor Tina 'de gerequireerde brieven van vrijdom' bij het Surinaamse Hof van Politie en Criminele Justitie aanvragen. Vanaf 1733 was het niet meer mogelijk zonder toestemming van het Hof slaafgemaakten vrij te maken. De reden voor een vrijbrief voor Tina was volgens Jeltema 'de trouwe dienst en oppassinge aan hem.'

Wat de relatie tussen Jeltema en Van Akeren was, is onbekend. In de archieven is er echter geen verzoek tot een vrijbrief voor Tina te vinden. Eveneens bevond zich in de boedelinventaris van Van Akeren uit 1779 nog een Tina. Het lijkt er dus sterk op dat het verzoek niet uitgevoerd kon worden.

Wie was Jan Jeltema? En wie was de tot slaaf gemaakte jongen? Van Jeltema is weinig terug te vinden in de archieven. Uit zijn boedelinventaris aan boord en het geld dat hij naliet aan zijn neefje, 6000 gulden, blijkt dat hij een welvarend man was. Wat hij in Suriname deed, is onbekend. Zijn vader was er 22 jaar geleden ook overleden.

Door een kwitantie opgesteld in 1766 wordt eindelijk duidelijk wie de tot slaaf gemaakte jongen was. In een lijst met nog te betalen rekeningen staat dat er nog 'zeekere praetentie' aan Arend Exalto moest worden betaald voor de tot slaaf gemaakte jongen Apropo, 'die de overleedene op zijne rijze herwaarts gedient heeft.'

In een eerdere kwitantie verklaarden de erfgenamen van Jeltema al zijn bezittingen – niets uitgezonderd – ontvangen te hebben van kapitein Speet. Ze betaalden hem maar liefst 300 gulden voor het overbrengen van Jeltema, 'een swarte jongen, en voorschreeve goederen.' Over het lot van Apropo is verder niets bekend. Zou hij teruggebracht zijn naar Suriname, of toch in de Republiek gebleven zijn?

Met dank aan Ellen Ruijter.

Geraadpleegde literatuur

Brana-Shute, R., ' Approaching Freedom: The Manumission of Slaves in Suriname, 1760-1828', Slavery & Abolition 10:3 (1989) 40-59.

Ponte, M., ' 'Al de swarten die hier ter stede comen'. Een Afro-Atlantische gemeenschap in zeventiende-eeuws Amsterdam', TSEG/Low Countries Journal of Social and Economic History 15:4 (2019) 33–62.

Schreuder, E., Twee Moren aan het hof van Oranje (Amsterdam 2017).

Tags

18e eeuwSurinameSlavernijScheepvaartBoedelinventaris
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen