De Blijdorp gestrand

Historische datum 19 juli 1734

In 1733 verging het VOC-schip de Blijdorp voor de kust van Senegal. Van de weinige zeelieden die de ramp overleefden wisten er maar weinig terug te komen in de Republiek. Dankzij een scheepsverklaring bij de notaris en uitgebrachte scheepsjournalen weten we meer over de erbarmelijke omstandigheden die het scheepsvolk heeft doorstaan: een bloederig gevecht met een lokale Afrikaanse koning, de Franse gouverneur die ze inzet voor slavenarbeid, en vele afgelegde kilometers in de volle zon zonder kleding, eten, en drinken. Slechts enkelen overleefden.

Samen met twee andere VOC-schepen was het schip op 6 juli 1733 vanaf Texel uitgevaren richting Oost-Indië. Het was de vierde reis van de Blijdorp met zo'n 250 opvarenden aan boord. De eerste drie weken verliepen voorspoedig.

Maar al snel ging het mis. In de nacht van 7 op 8 augustus zag korporaal Nicolaas Camperhoff een 'verandering van water en branding aan backboord zijnde,' waarop hij meteen naar de opperstuurman ging. Die reageerde verbaasd, maar nadat hij over boord had gekeken en zag dat de korporaal gelijk had, sloeg hij alarm.

Hij maakte schipper Haye Blaauwhuysen wakker, die vervolgens commandeerde het roer aan lei te leggen om het schip overstag te wenden. Het schip sloeg echter met de neus neer en kwam vast te liggen. In paniek loste het scheepsvolk noodschoten in de hoop dat de andere twee VOC-schepen hen zouden helpen. Maar helaas, ze voeren door zonder op of om te kijken. Voor deze daad zouden de twee schippers later berecht worden.

Bij de scheepsramp waren enkele zeelieden verdronken, maar de meesten wisten aan land te komen. Aan land kwamen ze erachter dat ze gestrand waren bij het eiland Gorée, een rotseiland bij de kust van het huidige Dakar, Senegal. Door de Nederlanders was het vernoemd naar Goeree, en afwisselend maakten zij maar ook de Fransen, Portugezen, en Engelsen gebruik van het eiland voor de slavenhandel. In de tijd van de scheepsramp waren de Fransen er aan de macht.

Aan land kwam het scheepsvolk meteen in aanraking met de lokale Afrikaanse bevolking en diens koning Amel. Het contact verliep stroef, mede door het niet begrijpen van elkaars taal, al kon koning Amel gepaaid worden met wat brandewijn en pijptabak. Tegelijkertijd stroomden steeds meer inheemse Afrikanen naar de kust, van enkele tientallen tot honderden, en werden de zeelieden omsingeld.

De gemoederen liepen hoog op, ook onder de zeelieden, en na een paar slapeloze nachten brak er ruzie uit. Enkele matrozen eisten geld uit de geldkisten die in het zand begraven lagen. De ruzie escaleerde en liep uit op een bloedbad na een aanval van koning Amel en zijn volgelingen. Een paar zeelieden wisten te ontsnappen, maar de meeste zeelieden vonden de dood of werden gevangengenomen.

Daarna volgt een helse tocht. De gevangen worden gedwongen zich uit te kleden om vervolgens te lopen in de brandende zon. Verbranden was logischerwijs het gevolg, waarna één gevangene zelfs beschreven werd als 'een gevild schepsel'. Eten kregen ze niet en water moesten ze als een stel dieren uit meertjes en rivieren drinken. Elf dagen duurde de tocht, waarbij om de zoveel tijd een gevangene neerviel om vervolgens niet meer op te staan. De bestemming was Moreé, waar een Fransman hen opwachtte.

In het journaal wordt gesproken over een grote vreugde bij het zien van een mede-Europeaan. De Fransman liet weten dat hij met koning Amal een ruil wilde aangaan, om de zeelieden mee te nemen naar het Franse eiland Gorée. In groepjes werden de zeelieden overgebracht gedurende de daaropvolgende dagen, al stierven nog enkelen op het vaste land voordat ze de oversteek konden maken.

Tussen de 80 en 100 man wisten Gorée te bereiken in de laatste dagen van augustus. Ze werden door de Franse gouverneur ontvangen. Vrijwel onmiddellijk traden 40 zeelieden in dienst bij een 'slavenhaalder' die op dat moment aangemeerd lag. De rest vertoefde op het eiland en kwam weer op krachten mede door het voedsel van de Fransen, al nam de hoeveelheid en de kwaliteit van het voedsel af. De honger begon weer de kop op te steken.

Uiteindelijk vroeg een 'botteliers jonge' aan de gouverneur om meer brood, waarna de jongen meermaals met een dik touw op zijn blote achterwerk geslagen werd. De lijfstraffen zorgden voor veel angst bij de zeelieden en zij durfden de gouverneur niet meer aan te spreken. Hij commandeerde zelfs om gort en maïsmeel te malen, iets dat de vermoeide zeelieden erg zwaar viel en voor sommigen het einde betekende. Op 23 december bestond de groep nog maar uit 21 man.

'dat zij alle maar opgekogte slaven waaren...'

Volgens de scheepsverklaring zou Blaauwhuysen de Franse gouverneur hebben verzocht om naar het scheepswrak te mogen gaan om te kijken of er nog goederen en geld geborgen konden worden. De gouverneur antwoordde dat dat niet mocht; hij had de opdracht gekregen van de gouverneur-generaal van Senegal om Blaauwhuysen weg te sturen met het Franse schip De La Durans richting het eiland St. Domingue (het huidige Haïti) om aldaar een schip te vinden, waarmee hij terug kon naar Frankrijk en vervolgens de Republiek.

Blaauwhuysen ging hier tegenin, zeggende 'dat hij bij zijn schip moet weesen, om naa 't goed van zijn heeren en meesters te zien.' De gouverneur bejegende hem echter zeer kwalijk, en sprak het volgende over het scheepsvolk van de Blijdorp: 'dat zij alle maar opgekogte slaven waaren en niets ter werelt te zeggen hadden.' Intussen hadden de Fransen en de volgelingen van koning Amel het schip volledig leeggeroofd. Blaauwhuysen liet een deel van zijn scheepsvolk achter en vertrok richting de Franse kolonie St. Domingue, zonder zijn schip ooit nog terug te zien.

De achterblijvers kregen uiteindelijk het goede nieuws te horen dat ze naar het Engelse Comptoir James Fort (huidige Gambia) mochten vertrekken. Op Eerste Kerstdag vertrokken ze. Vijf dagen later meerden ze aan en werden hartelijk ontvangen door de gouverneur aldaar. De zeelieden kregen betere kleren en eten. Sommigen traden zelfs in dienst bij de Engelsen.

Toen werd het een kwestie van wachten. In kleine groepjes verlieten de zeelieden James Fort en voeren mee met voorbijkomende schepen, voornamelijk 'slavehaalders'. Dit besloeg maar liefst een periode van vier maanden en de bestemmingen liepen enorm uiteen. Een paar hadden het geluk aan boord te gaan van schepen die richting Europa gingen, maar de meesten voerden hen nog verder van huis weg.

Op vrijdag 18 juni bereikten een paar zeelieden, waaronder de auteur van het journaal, Cádiz. Na twee maanden weer vaste grond onder de voeten vertrok de groep met een Engels oorlogsschip naar Lissabon. Hierna volgden nog meer zeereizen, waarna de groep op zaterdag 9 oktober eindelijk Amsterdam bereikte. Kapitein Blaauwhuysen was al een half jaar eerder thuisgekomen. Van de 250 opvarenden kwam ongeveer 10% terug.

Eenmaal in de Republiek teruggekeerd ging de berechting van start. Er was immers een schip en de bijbehorende last verloren gegaan! De schippers van de andere twee schepen Van Alsem en Haften kregen na vele ondervragingen de schuld, aangezien zij zonder op of om te kijken doorgevaren waren. Maar voordat ze berecht konden worden, overleed de ene. De ander mocht nooit meer de Compagnie dienen en werd verbannen. Wel werden de regels aangescherpt: schepen in nood zouden vanaf nu altijd geholpen moeten worden, anders was je tot 'er dood toe strafbaar'.

Literatuur
Gelder, Roelof van, 'De stranding van de Blijdorp, 1733: lotgevallen van een bemanning', Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 21 (2002) 24-33.
Camstrup, Nicolaas Jansz en Haye Blaauwhuysen, Rampspoedige Reys-beschryving, Ofte Journaal van 'S Ed: Oostindische Compagnies Schip Blydorp, Zynde gestrand en verongelukt op de Guineese ofte Moorse kust in Afrika, 's nagts tusschen den 7 en 8 Augustus, Anno 1733. (Amsterdam 1735).

Tags

18e eeuwScheepsverklaringVOCScheepsramp
Deel artikel

     
Geplaatst op

17 maart 2020
Auteur

Ramona Negron en Micaela Cabrita da Palma
Tags

18e eeuwScheepsverklaringVOCScheepsramp
Gerelateerd

Externe link

   Scheepsverklaring 19-07-1734
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen