Vrijheid per testament

Historische datum 5 maart 1751 | Notaris Cornelis van Homrigh

"Dat haare slaaf en slavin met namen Quakoe en Seraphine, die haar vrouwe testatrice van Suriname alhier gevolgd en jegenwoordig nog in haar dienst zijn, beide haar vrijheid zullen genieten, en dat aan ieder van hen zal werden uitgereikt een somma van vijfhonderd guldens eens, welke zij vrouwe tetstatrice aan ieder van hen bij dezen legateert", zo luidt een passage uit het testament van Magdalena Bordier, weduwe van Pierre Boyer gepasseerd voor notaris Cornelis van Homrigh op 5 maart 1751.

Het aantal onvrije Afro-Surinamers dat gedurende de achttiende eeuw naar Amsterdam kwam, kan geschat worden op duizend tot vijftienhonderd personen. De één bleef korter, de andere langer, enkele uitzonderingen bleven voorgoed. Van velen zijn de sporen van hun verblijf in Amsterdam in het notarieel archief en overigens ook in kerkelijke archieven terug te vinden.

Voor het perspectief is het ondertussen goed te bedenken dat het aantal Afrikanen dat in dezelfde periode Suriname binnengebracht werd om hun verdere leven in slavernij op de plantages te werken alleen in één enkel jaar als 1770 al 4664 bedroeg. Jaarlijks werden in Suriname in de achttiende eeuw bovendien honderden kinderen geboren wier leven zich tot aan hun laatste zucht binnen de enge begrenzingen van de plantageslavernij zou afspelen.

Raymond Buve, een van de eersten die schreef over de aanwezigheid van Afro-Surinamers in achttiende-eeuws Amsterdam merkte al op dat zulke migranten, meestal reisbegeleiders van planters en anderen uit de Surinaamse bovenlaag, behoorden tot de meer geprivilegieerden onder de onvrije Surinamers. Formeel waren zij net als ieder ander van hun standgenoten eigendom, een zaak en niet een persoon maar in de dagelijkse praktijk lag dit anders. Tussen hen en hun 'eigenaren' bestond vaak een hechte persoonlijke en wederkerige band. Dat zij op de hoogte waren van de kleinste behoeften, zwakheden en grillen van hun gebieders was juist de reden dat zij op reis meegenomen werden. Vaak werden zij in ruil voor hun zorg begiftigd met de vrijheid, toelages en goederen. Quakoe en Seraphine waren verre van de enige huisbedienden die uit de Surinaamse slavenstand werden ontheven.

Quakoe en Seraphine waren in maart 1750 met Pierre Boyer en zijn echtgenote uit Suriname vertrokken. Boyer, in 1718 in Paramaribo geboren in een Europese familie en in Suriname werkzaam als ontvanger van de hoofdgelden, was stellig van plan om na gedane zaken terug te keren.Hij overleed echter nog voor het gezelschap goed en wel in Amsterdam was aangekomen, op zee bij Texel in juni 1750. Zijn weduwe Magdalena Bordier, afkomstig uit Genève, met wie hijin 1745 in Amsterdam was gehuwd, had maar kort in Suriname gewoond. Zij hertrouwde in augustus 1752 met mr. Jacobus Augustinus van Son, advocaat en later schepen van Amsterdam en vestigde zich hier voorgoed. Door haar eerste huwelijk was ze ondertussen wel eigenaresse geworden van de koffieplantage Nieuw Acconoribo aan de rivier Cottica.

Zowel Seraphine als Quakoe waren van deze plantage afkomstig. Seraphine staat zelfs begin oktober 1750 nog op de inventaris van de onderneming (met de aantekening 'in Holland'). Quakoe niet, maar hij was er wel geboren blijkens de attestatie ten bewijze van de aan hem verleende vrijheid en zijn goede hoedanigheden opgemaakt voor notaris Cornelis van Homrigh op 7 april 1753.

Na een kleine twee jaar in Amsterdam te hebben gewoond, meldden Quakoe en Seraphine zich, samen met een man uit Ceylon, bij de kerkenraad van de Amsterdamse Hervormde gemeente, met verzoek belijdenis van hun christelijk geloof te mogen doen en gedoopt te worden. In de notulen van de kerkenraad van 13 april 1752 valt te lezen dat de kandidaten 'alle in 't Heydendom geboren en opgevoet (…) op eenige voorname stucken van de christelijke religie ondervraagt, so veel genoegen hebben gegeven dat de vergaderinge aan deselve hun versoek gaarne toestaat.' Op 29 april werden Quakoe en Seraphina in de Nieuwe Kerk gedoopt en heetten van toen af Johannes West en Maria Magdalena.

Maria Magdalena heeft zeker vijfentwintig jaar bij Magdalena Bordier in Amsterdam gewoond, eerst aan de Heren- en later aan de Keizersgracht. Bordier, in 1763 opnieuw weduwe geworden, nam in successievelijke testamenten, gepasseerd voor Cornelis van Homrigh, steeds min of meer dezelfde passage op rakende 'haar vrouwe Testatrices Negerin, met name Maria Magdalena, die haar van Suriname alhier gevolgd en als nog bij haar in dienst is'. Zij legateerde aan haar telkens weer een jaarlijkse toelage van vierhonderd gulden, plus meubilair en linnengoed dat zij nodig zou hebben om een kamerwoning mee in te richten. In het testament van 2 december 1776 kwam deze passage nog voor, in het volgende, van 18 april 1782, niet meer. Een verklaring zou kunnen zijn dat Maria Magdalena in de tussenliggende periode is overleden. In de Amsterdamse begraafregisters heb ik haar niet kunnen vinden. Is zij buiten Amsterdam overleden en begraven?


Johannes West daarentegen is eind juni 1753 in Suriname teruggekeerd. Kort voor vertrek, op 13 april 1753, liet hij voor notaris Cornelis van Homrigh nog een testament opmaken. Daarin benoemde hij voor geval hij geen wettige nakomelingen zou achterlaten, Jacobus Augustinus van Son en Margaretha Bordier tot erfgenamen. Wat in de akte opvalt is Wests nette geoefende handtekening.Om belijdenis te kunnen doen was enige leesvaardigheid een vereiste maar schrijven hoefde men niet te kunnen. Had hij misschien in Suriname al onderwijs genoten? Onmogelijk is het niet.

In april 1759 heeft Johannes West nog één keer de reis van Paramaribo naar Amsterdam ondernomen, nu dus als vrij man. Op het schip waarmee hij reisde bevond zich ook het dochtertje van een in Suriname gevestigde broer van Jacobus Augustinus van Son. Mogelijk fungeerde Johannes West als haar begeleider. Eind oktober van hetzelfde jaar was hij weer terug in Paramaribo. Blijkens een koopcontract in het Surinaams notarieelarchief van 19 juli 1760 kocht hij na terugkeer voor driehonderd gulden een erf in de Gravenstraat. Van de vruchten van zijn inspanningen heeft hij maar kort kunnen genieten, hij overleedop 30 januari 1764. Blijkens de inventaris van zijn nalatenschap d.d. 1 februari van dat jaar stonden op het erf inmiddels een woning en de nodige bijgebouwen. Afgezien van kleding, meubels e.d. liet hij ook '18 boeken soo geestelijke als wereldlijke in soorten' en twee bijbels met zilveren haakjes na. Zijn erfgenamen waren volgens een nieuw testament van 18 januari 1764 Jan Jacob van Paramaribo en Ester van Paracabo, net als hij behorend tot de categorie van niet bijzonder vermogende, maar wel geletterde en het christelijk hervormde geloof toegedane vrije Afro-Surinamers.

Literatuur:

R. Buve, 'Surinaamse slaven en vrije negers in Amsterdam gedurende de achttiende eeuw', Bijdragen tot de Taal- Land- en Volkenkunde 119 (1963), 1 e aflevering, p. 8-17.

Jean Jacques Vrij, 'Jan Jacob van Paramaribo en de zijnen', Wi Rutu jrg. 2 nr. 2 (december 2002), p. 14-20.

Tags

18e eeuwSurinameSlavernijTestamentAmsterdam
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen