‘Een dol en zinneloos mens’ - De omgang met psychiatrische patiënten in vroegmodern Amsterdam

Historische datum 17e en 18e eeuw

In de afgelopen tijd is er veel aandacht geweest voor de zogenoemde 'verwarde personen' problematiek in de media en politiek, maar ook in het vroegmoderne Amsterdam kampten er mensen met psychische problemen en leverde dit uitdagingen op voor hun omgeving. De verhalen van deze mensen en de stemmen van hun familieleden en buurtgenoten zijn terug te vinden in het Amsterdamse notariële archief en geven een uniek inkijkje in het dagelijks leven van en met deze groep mensen in de stad.

Zo werd er op 4 maart 1702 op het verzoek van Barent de Vries door veertien mensen voor de notaris verklaard over het gedrag van de zwager van Barent, de krankzinnige Jan van Bemmel, die bij Barent en zijn vrouw inwoonde. Dokter Anthonij van Thiel, die Jan al maanden onder behandeling had gehad, verklaarde hem 'onmedicabel' en buiten zinnen. Verschillende buurtgenoten vulden het attest vervolgens aan door te getuigen over het gedrag dat Jan vertoonde. Uit hun verklaringen blijkt dat Jan van Bemmel voor heel veel onrust in de buurt zorgde omdat hij dag en nacht raasde, schreeuwde en gierde als een dol en zinneloos mens. Ook bedreigde hij regelmatig mensen op straat, veroorzaakte hij onrust in de Oude Kerk en gooide hij allerlei dingen uit het venster op straat. Daarnaast had Jan zelfs een baksteen naar het hoofd van zijn eigen zus, de vrouw van Barent, gegooid die 'daarop aanstonds arbeid op het lijf kreeg en ook weinige dagen daarna verloste'. Hierdoor waren mensen bang van hem geworden en was het de mening van dokter van Thiel dat Jan 'hoe langer hoe erger staat te worden en dat het hoog nodig is dat hij wordt verzorgd om zware ongevallen die zouden kunnen ontstaan te voorkomen.'

In een ander document dat was opgesteld op 31 maart 1750 verklaren de commensaal en dienstmaagd van Cornelis Bormeester op zijn verzoek dat zijn vrouw Magdalena Susanna Mathes: 'tot overgrote droefenis nu als sinds meer dan 10 weken geleden bij continuatie bezocht is van een zware melancholie en een nare droefgeestigheid waardoor zij tot zodanige disparaatheid en verwardheid van hersenen is vervallen dat zij niet alleen buiten staat is om in het gezelschap van mensen te zijn, of de beheeringe van haar persoon en zaken enige orde te stellen'. Verder kon zij geen moment meer alleen gelaten worden omdat er te vrezen viel dat zij 'in aversies van hare benauwde wanhopige gedachten zichzelf enige merkelijk nadeel toebrengt' en ook al een paar pogingen hiertoe had ondernomen maar daarin was verhinderd door haar oppassers. Hierom was het de mening van de getuigen dat het nodig was dat zij 'tot voorkomingen van dergelijke en andere ongelukken, zo lang haar dispositie duurt, elders op een verzekerde plaats gebracht en bewaard moest worden.'

Deze twee voorbeelden laten zien dat het gedrag van deze groep mensen voor de nodige problemen in de samenleving kon zorgen en het legt daarnaast de thuissituatie van mensen bloot. Opvallend is dat deze notariële aktes met verschillende redenen werden opgesteld. Zoals duidelijk blijkt uit de twee voorbeelden kon dit zijn om aan te tonen dat iemand moest worden opgenomen of omdat iemand niet meer in staat was zichzelf te regeren en/of zijn of haar eigen financiën te regelen. Toch worden de redenen niet in alle aktes even duidelijk benoemd en blijft het soms gissen waarom mensen deze intieme verhalen deelden bij de notaris.

Uit de aktes valt daarnaast ook op te maken hoe men omging met deze groep mensen en hoe de zorg voor krankzinnigen werd vormgegeven. Zo blijkt uit de aktes onder anderen dat krankzinnige personen over het algemeen thuis werden opgevangen door familie. Families waren economische, sociale en emotionele eenheden en daarom een belangrijk onderdeel van de sociale structuur van vroegmoderne steden. Vooral echtgenoten en ouders nemen dan ook een grote rol op zich in de zorg. Echter naast familieleden was er een veel groter sociaal netwerk betrokken bij de zorg voor de krankzinnigen in de samenleving; dit netwerk bestond uit buren, vrienden, werknemers, werkgevers, bedienden en (betaalde) verzorgers. Dit sociale netwerk functioneerde als een systeem van sociale steun en controle. De verschillende groepen mensen ondersteunden namelijk zowel in de zorg voor deze groep maar bepaalden ook mede de grens tussen wat werd gezien als acceptabel en onacceptabel gedrag in de stedelijke samenleving.

Nog een belangrijk element dat naar voren komt uit het notariële archief is dat er naast opvang thuis door familie nog vele andere opties bestonden in de vroegmoderne tijd voor de zorg en opvang van 'krankzinnige' mensen, zowel medisch als niet medisch. Zo werd de zorg van mensen regelmatig uitbesteed aan iemand anders. Mensen verbleven dan elders en werden daar verzorgd, of er werden speciale oppassers ingehuurd voor thuis. Een bijzondere vondst uit het notariële archief was een akte uit 1639 waarin de koekenbakker Wessel Wesselsz., die al geruime tijd krankzinnig was, bij Nicolaes Agges 'meester van krankzinnigen personen' werd gebracht om behandeld te worden. Hiervoor had Nicolaes verschillende donkere huisjes bij zijn huis op het Engelse pad gebouwd waar mensen konden logeren. In één van deze huisjes werd Wessel met een ketting aan handen en voeten vastgemaakt aan een paal voor een hele maand. In de hoop dat hij hier beter van zou worden.

Ook medici speelden een rol in de zorg, zoals in het voorbeeld van Jan van Bemmel te zien is, maar in het archief zijn ook verschillende medische contracten te vinden waarin de dokter Joseph Celle door familieleden werd aangesteld voor het genezen van een krankzinnig familielid. Hoe hij dit precies van plan was te doen wordt helaas niet vermeld, maar wat wel opvallend is zijn de afspraken die gemaakt werden over de betaling hiervoor. Zo blijkt uit de contracten dat er grote bedragen werden betaald variërend van 150 tot 300 gulden per behandeling. Aan deze betaling zaten wel een aantal voorwaarden vast zoals; het feit dat de eerste helft vooraf en de tweede helft pas na genezing zou plaatsvinden en dat als men ooit nog een terugval zou krijgen dokter Celle deze patiënten opnieuw en dan gratis moest behandelen. Wat aangeeft dat het fluctuerende karakter van veel psychische problemen ook werd meegenomen bij het sluiten van een medisch contract.

Het notariële archief is dus van essentiële waarde om voor de vroegmoderne periode een beeld te krijgen van de zorg en omgang met krankzinnige personen. Wat er precies in de vroegmoderne samenleving gebeurde is namelijk lange tijd niet onderzocht omdat men ervan uit ging dat er geen bronmateriaal bestond dat hiervoor gebruikt kon worden. Door het notariële archief hiervoor te gebruiken ontluikt de wereld van extramurale zorg zich en blijkt dat in vroegmodern Amsterdam de zorg voor deze groep mensen juist vooral plaatsvond in de samenleving en hoe belangrijk hierin de 'community of care' was.

Deze blog is ontstaan naar aanleiding van mijn proefschrift Madness and the city. Interactions between the mad, their families and urban society in Amsterdam, Rotterdam and Utrecht, 1600-1795, dat ik heb verdedigd op 18 september 2019 aan de Universiteit van Amsterdam.


Voor meer informatie over dit onderwerp zie:

Martje aan de Kerk, ' Zwarigheid in de hersenen: De opvang van geesteszieken in de 17de en 18de eeuw', Ons Amsterdam 71 (december 2019), p. 8-13.

Martje aan de Kerk, 'Strategic voices of care and compassion. Describing the mad, their afflictions and situations in Amsterdam and Utrecht in the seventeenth and eighteenth centuries', History of psychiatry 29 (2018) 1, 66-78.

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen