Vrerick is dood

Historische datum 5 februari 1630 | Notaris Laurens Lamberti

Op 19 maart 2020 verscheen er een mooi verhaal op de website van Alle Amsterdamse Akten onder de titel Testament op veilige afstand. Het ging over de wilsbeschikking van Vrerick Nonnesz, die ziek op bed lag omdat hij de pest had. Hij leek de pest overleefd te hebben, maar was dat wel echt zo? En was zijn 'slaepvrou' een betrouwbare bron? Een vervolgverhaal.

Vrerick Nonnesz had als bootsgezel op een oorlogsschip van de Amsterdamse Admiraliteit gediend onder kapitein Vinck, maar lag op 27 november 1629, toen zijn testament werd opgesteld, doodziek op bed. Vrerick leed aan 'de gave Gods', oftewel de pest. Zijn ziekbed was geplaatst voor het raam van het logement in een kelder aan de Zeedijk waar Vrerick verbleef. Daar dicteerde hij zijn laatste wil aan notaris Laurens Lamberti, die op deze manier op veilige afstand kon blijven. Het protocol is, bij uitzondering, ook niet ondertekend door de zieke testateur en de drie getuigen; zelfs dat werd kennelijk al te gevaarlijk gevonden.

Dit prachtige historische voorbeeld van social (en medical) distancing vormde ook de beeldende opening van een artikel over epidemieën in Amsterdam dat Erik Schmitz en Emma Los van het Stadsarchief schreven voor NRC Handelsblad op 13 juni 2020. Aan het einde daarvan kwamen de auteurs nog even terug op het lot van Vrerick. Het leek erop dat hij de pest had overleefd, want zijn naam komt niet voor in de Amsterdamse begraafregisters. Eind goed, al goed.

Maar er is slecht nieuws voor de vrienden van Vrerick: hij heeft de pest toch niet overleefd…

Dit kunnen we opmaken uit een notariële akte die een paar maanden later is opgemaakt, op 5 februari 1630. Toen ging Gerberich Claes, die als 'slaepvrou' het logement in de kelder aan de Zeedijk dreef, naar dezelfde notaris Lamberti. Daar verklaarde zij dat zij nog ruim vijftig gulden tegoed had van Vredrick Vredricksz. Op het eerste gezicht lijkt dit te gaan om een ander, maar het betreft naar alle waarschijnlijkheid toch 'onze' Vrerick, van wie ook hier wordt gezegd dat hij 'in sijn leven voor bootsgesel met Cap[iteij]n Vinck ten oorloge gevaren' was en 'sijnde sieck aen de Gave Godts' in Gerberichs logement had verbleven. De normale prijs voor een verblijf daar was 8 stuivers per week, maar Gerberich had hem zeven weken moeten verzorgen en hem twee vaten bier, kaarsen en kost geleverd, ze had betaald voor zijn doodskist, doodskleed en voor de rozemarijntak en het loof dat de dode werd meegegeven, en voor de aanspreker en de twee personen die drie dagen en nachten bij hem hadden gewaakt. En, o ja, Vrerick had tijdens zijn leven ook een kan gebroken, daar kwamen nog eens 14 stuivers voor op de rekening.

Gerberich Claes moet geweten hebben dat het zin had om de rekening op te maken. In zijn testament had Vrerick immers laten vastleggen dat de helft van zijn nalatenschap, die deels bestond uit 'buijtgelt' dat nog moest worden geclaimd bij de Admiraliteit, aan haar moest worden uitgekeerd voor de schulden die hij bij haar had. Als dat niet genoeg zou zijn, moest zijn familie het verschil aanzuiveren uit de andere helft van de erfenis.

Twee buren van Gerberich, de 48-jarige bakker Jeuriaen Harmansz, die ook getuige was geweest bij de opstelling van Vrericksz testament, en de 28-jarige wijnverlater Everaert Meijnertsz onderschreven dat Vrerick inderdaad bij Gerberich had gewoond en in haar logement aan de pest was overleden en dat Gerberich hem eerlijk ter aarde had laten bestellen, zonder precies te weten wat de kosten daarvan zouden zijn.

Er kan dus geen twijfel over bestaan dat Vrerick tussen 27 november 1629, toen hij zijn testament liet opmaken, en 5 februari 1630, toen Gerberich Claes de rekening van zijn schulden liet opmaken, is overleden. Maar vreemd genoeg kunnen we hem toch niet vinden in de Amsterdamse begraafregisters in deze periode. Ook in Haarlem, waar Vrerick vandaan kwam, lijkt hij niet te zijn begraven. Mogelijk is hij terecht gekomen op een van de kerkhoven aan de rand van de stad of op het kerkhof van het Binnengasthuis, waarvan de vroege administratie soms gebrekkig is of niet meer aanwezig.

Via het logement in een kelder aan de Zeedijk zijn we letterlijk en figuurlijk beland aan de onderkant van het Amsterdam van 1630. Dankzij diverse andere Amsterdamse akten kunnen we nog iets meer te weten komen over de logementhoudster, Gerberich Claes. Zij was in 1606 geboren in het stadje Meldorf in Ditmarsen, een gebied aan de Oostzee, en in 1625 in Amsterdam getrouwd met de uit Delft afkomstige varensman Pieter Claesz Swart. Maar zo te zien hield Gerberich er wel een losse seksuele moraal op na. En met de waarheid nam ze het ook niet al te nauw.

Terwijl ze nog met Pieter Claesz was getrouwd, was Gerberich bezwangerd door Jochem Adamsz Witts of Witten, een jonge soldaat uit het land van Brunswijk. Hun zoontje Adam werd in februari 1631 Luthers gedoopt; de naam van de moeder werd daarbij niet vermeld. Toen Gerberichs nieuwe lover Jochem Adamsz in mei 1631 liet vastleggen dat hij de wettige vader was van Adam, deed hij het voorkomen alsof Gerberich weduwe was. Maar Pieter Claesz was nog springlevend. Teleurgesteld in zijn verbintenis met Gerberich – of hij ooit formeel van haar was gescheiden, weten we niet – ging hij in september 1631 in ondertrouw met een meisje uit Deventer, met wie hij op Texel zou trouwen, onderweg naar Indië.

Toen Gerberich in januari 1632 in ondertrouw wilde gaan met Jochem Adamsz, moest zij zich tegenover schout en schepenen verantwoorden voor haar onzedelijk gedrag. Blijkens het confessieboek gaf Gerberich ruiterlijk toe dat ze met Jochem naar bed was geweest en een buitenechtelijk kind van hem had, maar ze bracht ook naar voren dat Pieter Claesz intussen met een andere vrouw was gehuwd en dat zij vast van plan was met Jochem Adamsz te trouwen. Waarschijnlijk heeft ze geen toestemming voor dat huwelijk gekregen, want in september 1635 lieten Gerberich en Jochem opnieuw hun huwelijksvoornemen aantekenen. Ook toen kon het huwelijk geen doorgang vinden. In maart 1636 staat Gerberich alweer voor schepenen om een huwelijk aan te kondigen met Willem Jacobsz, een weduwnaar uit Groningen. En in januari 1637 opnieuw, nu met Reijnier Jansz, een wolwever aan de Lindengracht. De acte wordt doorgehaald, maar in september van datzelfde jaar herhaalt zich het ritueel met hetzelfde stel. Waarschijnlijk is toen wel toestemming voor het huwelijk gegeven; in elk geval worden in februari 1638 en januari 1641 kinderen van dit paar gedoopt.

Op 15 januari 1639 laat Gerberich Claes twee getuigen zonder blikken of blozen verklaren dat zij 'de echte ende getrouwe huijsvrouwe geweest is' van wijlen Jochem Adamsz en dat haar zoon Adam door Jochem tijdens dat huwelijk was verwekt. Dat zijn meerdere leugens in één verklaring: we weten intussen dat de kleine Adam was verwekt terwijl Gerberich nog met haar eerste man Pieter Claesz was getrouwd en dat een huwelijk met Jochem Adamsz nooit is bevestigd; bovendien blijkt uit een ander document dat Jochem in 1639 nog gewoon in Amsterdam rondliep. Dat Gerberich een dubieuze reputatie had, blijkt ook uit het feit dat ze in de jaren 1635-1637 diverse keren moet verschijnen voor de schout in verband met allerlei akkefietjes.

Met al deze kennis in het achterhoofd gaan we toch weer twijfelen aan de waarachtigheid van Gerberich Claes' verklaring over de dood van Vrerick. Heeft ze al die kosten wel echt gemaakt? En waar is Vrerick toch begraven?

Tags

17e eeuwAmsterdamBuitenechtelijke relatiesTestamentVrouwenZeeliedenZiektePest
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen