Tweemaal gekaapt

Historische datum 7 december 1759 | Notaris Salomon Dorper

Op 7 december 1759 legde Matthijs Maouw, schipper van het schip de Herstelder, een uitgebreide verklaring af over de gebeurtenissen tijdens zijn laatste reis van Sint Maarten naar Amsterdam. Als getuigen had hij meegenomen zijn opperstuurman Johannes Vroom, de onderstuurman Pieter Jacobs, de kuiper Hendrik Luman en de matrozen Martin Meijer, Jochem Loesewits en Claus Splitting. Het schip en de lading hadden tijdens de reis veel schade opgelopen en deze scheepsverklaring was vereist om een beroep te kunnen doen op de averij-grosse regeling. Wat was er aan de hand?

Matthijs Maouw, afkomstig van het Zweedse Oostzee-eiland Gotland en inmiddels in Amsterdam gevestigd, voer als schipper met vracht en passagiers van Amsterdam naar West-Indië en terug. Hij had op zee al heel wat meegemaakt, maar deze reis verliep wel heel ongelukkig. Hij vertrok op 30 april 1758 met de Herstelder van Sint Maarten met een lading suiker, koffie, katoen, indigo, campechehout en nog wat goederen naar Amsterdam. De reis verliep voorspoedig met redelijk goed weer, totdat zij op 24 mei midden op de Atlantische Oceaan twee Engelse commissievaarders van Liverpool tegenkwamen, de Tartar (22 kanonnen) onder bevel van kapitein John Mauquet en de Union (16 kanonnen) met kapitein Pieter Smit. Deze kapers veroverden het schip. Schipper Maouw en vijf man werden op de Tartar gevangen gezet en twee andere bemanningsleden op de Union. Intussen gingen de kapers op de Herstelder flink tekeer, ze vernielden kisten met goederen, sneden balen koffie en katoen kapot en braken vaten met suiker open.

Locatie

Op 2 juni werden schipper Maouw en zijn mannen uiteindelijk door de kapers vrijgelaten en kon de Herstelder met een fors beschadigde lading zijn weg vervolgen. Dat ging enige tijd goed, tot ze tot hun schrik op 29 juni in het zicht van de Engelse kust weer een Engelse kaper tegenkwamen, ditmaal de Blenheim met kapitein James Merrifield van Londen. De kapers namen de Herstelder in, schipper Matthijs Maouw werd op de Blenheim gevangen gezet en een prijsbemanning van de Blenheim zeilde de Herstelder naar Portsmouth, de grote marinehaven aan de Engelse zuidkust. Daar werden de schipper en drie man van het scheepsvolk ondervraagd.

Dit was een veel voorkomende gang van zaken in oorlogstijd, in dit geval de Zevenjarige Oorlog (1756-1763). Deze oorlog was een conflict tussen de vijf grote Europese grote mogendheden en hun kolonies, met aan de ene kant Engeland samen met o.a. Pruisen en Portugal en aan de andere kant Frankrijk met o.a. Spanje, Oostenrijk en Rusland. De Republiek der Verenigde Nederlanden deed niet mee aan deze oorlog, maar de scheepvaart ondervond er wel grote problemen door. In tijd van oorlog gaf een regering (in dit geval de Engelse) namelijk aan particuliere schippers zogenaamde kaperbrieven uit, met bepaalde regels die hen de bevoegdheid gaven om schepen van vreemde mogendheden te overmeesteren en de lading in beslag te nemen. Het doel was om de handelsvaart van de vijand te verstoren en zo economische schade toe te brengen. De kapers moesten een overmeesterd schip naar een eigen haven brengen, zodat overheidsfunctionarissen de bemanning konden ondervragen om te bepalen of een overmeesterd schip terecht was gekaapt.

Dat overkwam ook schipper Matthijs Maouw en zijn bemanning. Na de ondervraging werden de scheepspapieren naar Londen gestuurd ter beoordeling. Twee weken later reisde schipper Maouw zelf over land naar Londen om te proberen zijn schip, de lading en de scheepspapieren terug te krijgen. Intussen zeilden de kapers de Herstelder onder begeleiding van een Engels oorlogsschip van Portsmouth via de rede van Duins [1] naar een ligplaats bij Deptford aan de drukke rivier de Theems, waar het schip aan de ketting werd gelegd. Daarmee begon een tijd van wachten, waarin andere schepen maar liefst zes keer tegen de Herstelder aanvoeren, met grote schade aan het schip en de tuigage. Lange tijd probeerde schipper Maouw tevergeefs schip en lading vrij te krijgen. Ruim een jaar later, in oktober 1759 lukte het om met de hulp van twee kooplieden een akkoord met de kapers te bereiken. Zo konden ze na de nodige reparaties eindelijk vertrekken en op 7 november kwamen ze behouden bij Texel aan. Daar werden een dag later de vrachtgoederen overgeladen in twee lichters, die naar Amsterdam vertrokken. De bemanning van de Herstelder wachtte echter nog meer pech en schade. Er stak een flinke storm op, waarbij ze een kostbaar anker verspeelden. Nadat de schipper een nieuw anker had bemachtigd, kon de Herstelder zelf ook vertrekken. Met behulp van ´een voorzijlder [2] over ´t Wieringer Vlaak tot meerdere securiteit en een waterschip [3] om over Pampus te kunnen´ zeilden Maouw en zijn bemanning naar Amsterdam, waar ze op 15 november na een terugreis van anderhalf jaar aankwamen.

Terug in Amsterdam maakten ze snel de balans op. Het schip en de lading hadden tijdens de reis door toedoen van de kapers flinke schade opgelopen. Wie moest dat betalen? In zulke gevallen was er sprake van averij-grosse. Averij-grosse was de gemeenschappelijke schade als gevolg van handelingen van de bemanning in het belang van (zoveel mogelijk) behoud van schip en lading, bijvoorbeeld het overboord zetten van een deel van de lading tijdens een zware storm om schipbreuk te voorkomen. Bij averij-grosse werd de schade verdeeld over de eigenaren van het schip. In de achttiende eeuw was de rechtspraak over de schade bij averij-grosse in handen van de Commissarissen van de Kamer van Assurantiën en Averijen. [4] De basis voor het vonnis was een door een notaris gewaarmerkte scheepsverklaring.

Om die reden ging Maouw op 7 december met enkele bemanningsleden naar een notaris om een scheepsverklaring te laten opstellen, waarna ze vier dagen later voor 'de Burgermeesteren en Regeerders van de stad Amsterdam' deze verklaring met een eed bevestigden. Daarna wendde Maouw zich namens de eigenaren van het schip en de lading tot de Kamer van Assurantiën en Averijen met het verzoek om de geleden schade aan te merken als averij grosse. Blijkens het vonnis van 25 maart 1760 van deze Kamer gebeurde dat ook. [5] De Commissarissen beoordeelden nauwkeurig de door de scheepseigenaren en de verladers opgegeven schade en stelden deze vast op een totaal van 33.506 gulden, 16 stuivers en 4 penningen, inclusief ruim 262 gulden aan onkosten van de Commissarissen, de secretaris, de bode, het zegel en een bijdrage voor de Aalmoezeniersarmen. Ook maakten ze een kritische taxatie van de waarde van het schip en de lading, die uitkwam op 128.625 gulden. Hun conclusie over de verdeling van de schade was dat 'ijder hondert daar inne komt te draegen 26 gulden en één stuiver', oftewel de scheepseigenaren en alle verladers moesten 26,05% van de waarde van hun schip of lading bijdragen bij de verdeling van de kosten.

Zo eindigde een tumultueuze reis met een zakelijke afhandeling waarbij een ieder een evenredig deel van de schade voor zijn rekening nam. Een mooi voorbeeld van solidariteit. En de schipper? Matthijs Maouw maakte nog een aantal reizen naar West-Indië en werd daarna een succesvol koopman in levensmiddelen in Amsterdam.

[1] De rede van Duins: de downs, het zeegebied voor de Engelse zuidoostkust ter hoogte van de oude havenplaats Deal, vanouds een belangrijke beschutte ankerplaats.

[2] Een voorop zeilende gids.

[3] Een waterschip was een vissersschip met een bun gevuld met (zee)water voor watertransport of voor het vers houden van de gevangen vis. Deze zwaargebouwde sleepnetvissers werden vanwege hun trekkracht ook gebruikt om grote handels- en oorlogsschepen - voorzien van zgn. scheepskamelen - over de ondiepte Pampus te trekken.

[4] https://archief.amsterdam/uitleg/indexen/29-averijgrossen-1700-1810.

[5] SAA, arch 5061, inv.nr. 2850, fol. 373–378v.

Tags

18e eeuwAmsterdamCaribisch gebiedKapingKoloniënScheepsverklaringZeelieden
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen