Moord op fort Nassau

Historische datum 03-09-1660

De interrogatie is een weinig voorkomend aktetype waarbij een notaris getuigen over mogelijke criminele activiteiten verhoort. Er is nog maar weinig bekend over dit aktetype uit de 17e eeuw. Interrogaties hebben een enorme informatiedichtheid, zoals blijkt uit de interrogatie die notaris Hector Friesma op 3 september 1660 opstelde en die gaat over een moordzaak in Guyana.

In de 32 bladzijden tellende akte worden vijf personen gehoord. Daarnaast bevat deze akte nog een tweetal vragenlijsten voor andere verdachten, die om onduidelijke redenen onbeantwoord zijn gebleven. De vijf getuigen verklaren op verzoek van de Middelburgse baron Balthasar Gerbier d'Ouvilly over de moord op zijn dochter welke op 7 mei dat jaar had plaatsgevonden in fort Nassau gelegen op het eiland 'Cajany' (het hedendaagse Cayenne in Frans-Guyana).

Hoewel de WIC na haar oprichting in 1621 in theorie het monopolie kreeg over alle 'Nederlandse' gebieden in het Atlantisch gebied, werd in theorie veelal gewerkt met particuliere kolonisators of patroonschappen (denk bijvoorbeeld aan Rensselaerswijck in Nieuw-Nederland). Op de 'Wilde Kust' werd hetzelfde getracht, wat halverwege de jaren '50 van de zeventiende eeuw leidde tot vijf afzonderlijke nederzettingen aan de rivieren Essequibo, Berbice, Pomeroon, Suriname en Cayenne. De opkomst van deze kolonisatie hangt nauw samen met het verlies van Nederlands-Brazilië in 1654, waardoor veel vluchtelingen hun heil elders in het Atlantisch gebied zochten. [1]

In 1656 werd de Amsterdammer Jan Claesz Langendijck door de Kamer Amsterdam van de WIC officieel aangesteld tot patroon van Cayenne. Datzelfde jaar voer hij uit naar het eiland Cayenne waar hij onder andere een huis voor zichzelf liet bouwen. In maart 1658 was Langendijck terug in Amsterdam om nieuwe kolonisten te werven, kort daarna gaf hij het patroonschap opmerkelijk genoeg weer terug aan de Kamer Amsterdam. Zijn terugtocht naar Cayenne vond doorgang, alleen was hij nu aangesteld als commandeur namens de WIC en niet als patroon. Dat hij zich als privépersoon terugtrok uit de onderneming had er vermoedelijk mee te maken dat rond dezelfde tijd de Middelburgse kunstenaar/diplomaat Balthasar Gerbier zich meldde bij WIC en toestemming kreeg om de 'Guajaansche Colonje' te beginnen. Deze onderneming wilde elders in Guyana, namelijk aan de zuidelijker gelegen rivier Approuague ('Apperwake') expedities naar mineralen organiseren, waardoor het naar het idee van de WIC-bewindhebbers de andere activiteiten van de WIC in de nieuwe kolonie niet in de weg moet hebben gezeten. Hetzelfde gold overigens voor een derde kolonisatieverzoek van de Jood David Cohen Nassy, dat kort daarna eveneens door de bewindhebbers werd ingewilligd. In 1659 ging Gerbier met zijn vrouw en drie dochters en een gevolg aan bergwerkers en in ieder geval de Brazilië-veteraan Otto Keye, scheep naar Guyana.

De situatie op het eiland Cayenne was nu als volgt: het huis van commandeur Langendijck was gevestigd in fort Céperou, dat bij een eerdere Franse kolonisatiepoging was opgericht en inmiddels was omgedoopt tot fort Nassau. Nabij het fort woonden enkele tientallen kolonisten. Gerbier en zijn gevolg van bergwerkers waren gestationeerd aan de rivier Approuague, maar in werkelijkheid lijkt er nauw contact te zijn geweest tussen deze nederzetting en de kolonisten te Cayenne. [2] Zo vermeldt de interrogatie van notaris Friesma dat de leiding van Cayenne in handen was van de raad, die naast Langendijck bestond uit al genoemde Keye, Johannes Adolphus Rhenanus, Reijnier van Buren en Willem Gayner. De vijf getuigen die worden gehoord in de interrogatie –een voormalig sergeant van de voetknechten te Cayenne, twee bergwerkers en een beschuitbakker en zijn vrouw die als kolonisten in Cayenne hadden gewoond- verklaarden over de toedracht tot en de eigenlijke moord die op 7 mei 1660 had plaatsgevonden.

De aanleiding was wellicht de schade die de bergwerkers van Gerbier hadden aangebracht in hun zoektocht naar mineralen in de pas aangelegde suikerrietplantages. [3] Maar de oorzaak is vermoedelijk een machtsstrijd waarbij belangen en karakters lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. De raden Keye, Rhenanus en Van Buren hebben in ieder geval getracht de mineralenzoektocht van Gerbier van het begin af aan te saboteren. Zo had Keye de bergwerkers gedreigd met inhouding van rantsoen, verbanning en zelfs ophanging in de Republiek als zij niet aan de raad, maar aan Gerbier loyaal zouden zijn. De bergwerkers kregen de opdracht om maar op één plaats te graven en daarbij niet verder dan drie vadem te graven, terwijl zijzelf gewend waren in de mijnen van Brunswijk vaak veel dieper te graven, tot dieptes van wel 300 vadems. Het verhaal neemt een welhaast absurde wending als de bergwerkers verklaren dat '[het] waar is dat Johannes Adolphus Rhenanus (die sich vermeten hadde groot verstandt te hebben van bergh-werckinghe myneraal scheyden, ende met slach roeden myn aerders te connen vinden) by haer synde slach roeden (diese by hadde) niet en wiste hoe hy de moste gebrucken; maar die aen haer Bergwerckers gaf met belofte van hondert guldens ingevalle syluyden daer mede een der myn aeders vinden'. Het is een bizar beeld: een kolonist die zich laat voorstaan kennis te hebben van het mijnbouwbedrijf en die midden in de tropen ervaren Duitse mijnwerkers het gebruik van wichelroeden opdringt zonder daarbij enige instructie te geven. Naast deze sabotage is bekend dat de expeditie de nodige tegenslagen kende zoals de extreme regenval, waardoor de bergwerkers hun werk maar slecht konden doen. Gerbier en zijn familie besloten al spoedig zich terug te trekken in Cayenne, waar zij het huis van commandeur Langendijck mochten betrekken. Van ideale werkomstandigheden lijkt geen sprake te zijn geweest.

Slecht weer, uitblijvende mineraalvondsten en karakters die elkaar niet hebben gelegen. Wellicht is er aanvankelijk nog geprobeerd om op een vriendelijke manier tot een oplossing te komen, maar uiteindelijk besluiten de raden dat het zo niet langer kan en dat er drastische maatregelen getroffen moeten worden tegen Gerbier. Het beeld dat uit de interrogatie naar voren komt is dat raad Reijnier van Buren het kwade genius achter deze moord was. Hij zou commandeur Langendijck onder valse voorwendselen weggelokt hebben uit Cayenne door elders in de kolonie landerijen te visiteren. Van Buren had vlak voor zijn vertrek nog brandewijn en eten laten halen uit het magazijn. Vervolgens moesten Rhenanus en Keye op 7 mei 1660 verder uitvoering geven aan het plan. Zij lieten musketten en roers ophalen bij vaandrig Nicolaas Stocram, die dit pas deed nadat hem een valse akte was gepresenteerd waarin de arrestatie van Gerbier gelast werd. De wapens werden samen met lood, kruit en lont overhandigd aan de bergwerkers, waarna de 'snoode accusatien' ook nogmaals aan hen werden voorgelezen. Er diende echter eerst te worden gegeten bij Rhenanus thuis. Hier werden de bergwerkers dronken gevoerd door Rhenanus vrouw 'seggende seventhien mutskens brandewijn verschonken te sijn […] omme die tot den toght naar het fort Nassau te encourageren'. Kolonist en beschuitbakker Christoffel Mirle verklaarde dat hij die dag Gerbier had willen bezoeken maar werd tegengehouden door Keye en dat hij had gezien hoe Keye het huis van Langendijck waar Gerbier met zijn vrouw en drie dochters op dat moment zaten, betrad. Wat hier gebeurde, kunnen we ook nalazen in het 'Sommier Verhael, van sekere Amerikaensche voyagie' dat Gerbier in 1660 in Amsterdam publiceerde. Nadat dochter Debora ternauwernood fort Nassau ontvluchtte om hulp te halen bij de kolonisten in het naburige dorp, traden Keye en Rhenanus het logement van Langendijck binnen. Daar voltrok zich in alle hectiek een familiedrama: Gerbier kreeg een pistool tegen zijn hoofd dat dienst weigerde en er werd vervolgens vergeefs op hem ingestoken. Dochter Catharina Gerbier werd vermoord en het been van dochter Maria werd geraakt door een kogel. De moordenaars veronderstelden dat vanwege het vele bloed de klus geklaard was, en vertrokken met medeneming van Gerbier als gevangene dan ook zodra zij de toegesnelde kolonisten uit het naburige dorp aan hoorden komen. Beschuitbakker Mirle beschrijft hoe het logement vervolgens aantrof: 'dat het bloed van de vermoorde op sijn hoet gedropen is'.

Met de terugkomst van commandeur Langendijck wordt de orde hersteld en worden alle beramers van de moord op een schip naar de Republiek gezet. Ook de familie Gerbier repatrieert en moet tot zijn ontsteltenis toezien hoe Otto Keye eenmaal aangekomen in de Republiek vervolging lijkt te ontkomen. Daarop publiceert Balthasar Gerbier het pamflet 'Sommier Verhael', waarin wordt afgesloten met: 'gelijck sulcx blijckt, door getuyge wettelijk op Interrogatien geexamineert waerachtigh te wesen, hebbende hare gemelte verklaringhe op den 3. deser maent Septembris, voor den Notaris Hector op den Dam woonachtigh, begonnen te doen, zijnde ter Vierschare gedaecht geweest, bestaende in vrye Luyden, Officiers, en Bergh-werckers'. Voor zover valt na te gaan zijn Otto Keye, Johannes Adolphus Rhenanus en Reijnier van Buren opvallend genoeg nooit vervolgd voor deze moord. Dankzij deze interrogatie weten we toch van deze misdaad op fort Nassau.

[1] Henk den Heijer, De geschiedenis van de WIC (Zutphen, 2002), p. 88.

[2] L.A.H.C. Hulsman, Nederlands Amazonia : handel met indianen tussen 1580 en 1680 (Amsterdam, 2009), p. 146-150; Mordechai Arbell ,The Jewish nation of the Caribbean. The Spanish-Portuguese Jewish settlements in the Caribbean and the Guianas (Jerusalem, 2002) p. 47.

[3] Jac. Zwarts, 'Een episode uit de Joodsche kolonisatie van Guyana', in: Nieuwe West-Indische Gids, 9 (1928), p. 522.

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen