‘Ootmoedig hadden versogt om ook eens te moogen spreeken’: het verhaal van de drie slaafgemaakte kinderen Sambij, Birree en Porx

Historische datum 19 augustus 1765 | Notaris Jelmer de Bruijn

Over de levens van slaafgemaakte kinderen in het vroegmoderne rijk van de Republiek was nog maar weinig bekend. Ze hebben weinig sporen achtergelaten in de archieven en de bronnen die er zijn, zijn vaak opgesteld vanuit het perspectief van de kolonisator. Diepgaand archiefonderzoek naar slaafgemaakte kinderen in de achttiende eeuw wijst echter uit dat zij een belangrijke en bijzondere rol vervulden binnen het slavernijsysteem. In een zeldzame attestatie opgesteld bij de Amsterdamse notaris Jelmer de Bruyn komen drie slaafgemaakte kinderen, Sambij, Biree en Porx, zélf aan het woord.

Op 19 augustus 1765 begaf notaris Jelmer de Bruyn zich naar het huis van Thomas en Hendrik Vieroot in de Kalverstraat, waar zich drie zwarte jongens bevonden met de namen Sambij, Birree en Porx. Zij waren vanuit de kust van West-Afrika meegekomen met hun eigenaar, WIC-oppercommies Roelof Ulsen (1723-1765). Ulsen, die inmiddels al dertig jaar in dienst was van de WIC in Elmina (Ghana), had besloten om terug te keren naar de Republiek. In oktober 1764 ging hij aan boord van de Rotterdamse slavenhaler de Publicola onder leiding van kapitein Jacob van Bell (c.1728-c.1767). Dat schip had 350 slaafgemaakten aan boord, die in Suriname verkocht moesten worden, onder wie 32 slaafgemaakten die Ulsen zelf had meegenomen aan boord om te verkopen.

Daarnaast had hij vier voeteboys meegenomen aan boord. Voeteboys, meestal slaafgemaakte jongetjes, moesten hun eigenaar dienen en overal volgen. Het waren statussymbolen: hun aanwezigheid bevestigde de rijkdom en welvaart van hun eigenaar. Vanaf het einde van de zeventiende eeuw lieten steeds meer kooplieden, WIC-dienaren en zeelieden zich afbeelden met een zwarte jongetjes op de achtergrond. Sambij, Birree en Porx waren drie van die voeteboys, de vierde jongen werd voor onbekende reden toegevoegd aan de "lading" en werd verkocht in Suriname.

Ulsen verbleef een paar maanden in Suriname met Sambij, Birree en zijn zoontje Hermanus, terwijl Porx op de Publicola bleef om op de bagage van Ulsen te passen. De Publicola vervolgde haar reis in maart 1765. Ulsen werd ziek, en overleed in de nacht van 14 en 15 mei in het bijzijn van de drie jongens. Zodra het schip aankwam in Rotterdam ontstond er commotie: wie waren Ulsens erfgenamen? Wie zou zijn fortuin erven? Uiteindelijk meldden de gebroeders Vieroot zich bij de Rotterdamse reder om verhaal te halen. Het was het begin van een conflict tussen de erfgenamen van Ulsen en kapitein Van Bell, waarin de verklaring van drie jongens een belangrijke rol zou gaan spelen.

In het huis in de Kalverstraat kreeg notaris De Bruyn te horen dat, toen de jongens gehoord hadden over het conflict met kapitein Van Bell, zij 'ootmoedig hadden versogt om ook eens te moogen spreeken en haar hand onder een papier te setten van het geene zij gehoort en gezien hadden, dat de Blanke dan verwondert zouden weesen van hetgeene zij zouden verhaalen'. Dit werd hen vervolgens dan ook toegestaan.

Allereerst vertelden zij 'dat Capn. Bell een dieff' was en werd er een lijst opgesteld met alle goederen die hij van de overleden Ulsen gestolen had. Het is een lange lijst, van zilveren soeplepels, schenkborden en limoensap tot geweren, een blauwe jas en zelfs Ulsens bed. De jongens hadden Van Bell gevraagd om tenminste nog de wijn te bewaren voor van Ulsens kinderen in Holland, maar die 'graauwde' hen toen toe: 'daar is geen wijn van je Heer, daar is hier niets dat je Heer toebehoort, tis alles scheepsgoedt'. Ulsen had overigens geen kinderen in de Republiek, dat was een misverstand. Zijn zoontje Hermanus had hij verwekt bij een zwarte vrouw in Elmina.

De drie jongens verklaarden vervolgens 'dat Capn. Bell een slegte Blanke' was. Na het overlijden van Ulsen hadden ze zijn lichaam willen bewaren, zodat hij begraven kon worden in de Republiek. De jongens vertelden echter hoe, terwijl Ulsen om vijf uur 's morgens overleden was, Van Bell hem die middag rond half vier overboord had gegooid. Van de matrozen hadden ze gehoord 'dat men zoo niet handelde met een groot Heer, maar dat men die bewaarde om hem aan wal te begraaven'. De jongens hadden vier dagen later nog land gezien. Volgens hen had Van Bell het lichaam van Ulsen zo snel over boord gegooid, omdat hij dikwijls boos op Ulsen was geweest. Ulsen had daar zelfs over geklaagd tegen de jongens.

De jongens vertelden vervolgens hoe Van Bell bepaalde goederen van Ulsen had gestolen, en dat zijn vrouw daar zelfs aan mee had gewerkt. Nadat zij enige tijd aan boord was verbleven, gaf Van Bell haar enige goederen mee die de jongens eerder hadden gespecificeerd, zoals de 'silvre ponskom, leepels, en vorken, desgelijks hun Heers bed, cattoene hangmatten, ja selvs het vee dat nog overgebleeve was, dat hun Heer voor zijn gebruijk had aan boord doen brengen'. De jongens waren gedwongen om de goederen in te pakken en af te schepen. Nogmaals hadden zij tegen Van Bell gezegd dat dit de goederen waren van Ulsen, maar die zei opnieuw dat het scheepsgoed was.

In Rotterdam was Van Bell ietwat aardiger tegen de jongens geweest, maar dit was 'met een schelms oogmerk geschiet'. Van Bell had de jongens namelijk niet veel later apart genomen en bedreigd met de volgende woorden:

'al ze van Amsterdam om je luij schrijven dan moet je zeggen, dat je er niet naa toe wilt gaan, want als je daar komt, dan zullen ze je met een schip naa Suriname senden, en daar voor slaaven doen verkoopen, maar als je hier blijft dan zal ik je luij weer naa de kust van Guinea brengen en maaken dat je vrij luij wordt'.

Van Bell had hen vervolgens verboden om met andere mensen hierover te praten. Het is een interessante bedreiging. De drie jongens bevonden zich zonder eigenaar in de Republiek, een voor hen onbekende wereld, waar slavernij formeel niet bestond. Van Bell chanteerde de jongens met hetgeen wat hen het meest dierbaar zou zijn: hun vrijheid.

De jongens vertelden dat zij erg bang waren geweest, maar dat een matroos, die zij hun vriend noemden, had verteld 'dat ze maar gaan moesten, dat de Capn. het loog, en dat hun 't Amsterdam geen het minste quaad zou gedaan worden', wat zij nu achteraf ook hadden ondervonden. De jongens verklaarden dat Van Bell hen waarschijnlijk zo had toegesproken, 'omdat hij bang is geweest dat ze zijn schelmstukken aan hun Heers zoon vertellen zouwden'.

De jongens legden de verklaring af in het Portugees en dat werd vertaald naar het Nederlands. Vervolgens moesten ze nog een keer hun verhaal vertellen, zodat twee mannen die Portugees spraken, onder wie slavenhandelaar Pieter Volkmar, konden bevestigen dat de jongens de waarheid spraken. De twee Portugeessprekende mannen verklaarden dat de verklaring correct vertaald was, dat de jongens bij hun verhaal waren gebleven, en dat zij ook een eed hadden afgelegd op een manier die in Afrika gewoon was, namelijk door het drinken van een bepaald soort water.

Of de jongens in de Republiek gebleven zijn, is niet bekend. Maar deze attestatie geeft deze drie moedige slaafgemaakte jongens een stem, en laat zien hoe ook slaafgemaakte kinderen in de achttiende-eeuwse Republiek naar manieren zochten om op te komen voor hun principes en zich verzetten tegen de overheerser, in een onbekende wereld waar slavernij altijd op de loer lag.

Meer lezen? Klik hier voor mijn masterscriptie The Enslaved Children of the Dutch World: Trade, Plantations, and Households in the Eighteenth Century, waarin ik in vier verschillende hoofdstukken achtereenvolgens kijk naar het begrip kindertijd in de achttiende eeuw, kinderen in de Nederlandse slavenhandel, op plantages en in huishoudens in Suriname, en in de Republiek.

Mijn dank gaat uit naar Quinten voor het delen van deze akte, en naar alle andere AAA-deelnemers die mij hebben geholpen met het onderzoek voor mijn masterscriptie door het delen van vondsten.

Meer lezen over deze zaak:

A. A. van der Houwen, 'Om de schatten van Roelof Ulsen, een nalatenschap in de 18e eeuw', Brielse Mare 9 (1999) 31-41. NB: Dit artikel spreekt van Pollux, Berrij (of Pichem) en Poerij. Omdat in de jongens zich in de attestatie bij notaris Jelmer de Bruyn Sambij, Birree, en Porx noemden, heb ik deze namen aangehouden.

Ramona Negrón, 'The Enslaved Children of the Dutch World: Trade, Plantations, and Households in the Eighteenth Century.' Master thesis, Universiteit Leiden, 2020. Leiden University Repository.

Tags

18e eeuwAfrikaAmsterdamAttestatieBoedelinventarisDiefstalElminaSlavernijWest-Indische Compagie (WIC)Suriname
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen