Scènes uit een huwelijk: Cornelis en Petronella

Notaris Nathanael Wilthuijzen

Relatieproblemen zijn van alle tijden. Hoewel ze soms gemoedelijk uitgepraat kunnen worden, loopt het helaas ook vaak uit de hand. Het eerste huwelijksjaar van het piepjonge stel Cornelis Meerkamp en Petronella Meyer was een opeenstapeling van schrijnende situaties, zo blijkt uit een reeks attestaties in 1776 en 1777 voor notaris Nathanaël Wilthuijzen.

Cornelis was een welgestelde, 22-jarige kantoorbediende op de Keizersgracht. Op 12 mei 1776 gaat hij in ondertrouw met de slechts 18 jaar oude Petronella Meyer, wonend op de Herengracht. Aangezien ze diezelfde zomer nog een kind verwachtten, is het aannemelijk dat het een moetje was. Dat dit emotioneel gezien niet altijd de juiste basis voor een huwelijk is, blijkt onmiddellijk. Cornelis begint volmondig tegen Petronella te klagen dat hij helemaal niet van plan was geweest om zijn vrijgezellenbestaan op te geven. Zijn briljante plan was het volgende: hij zou Petronella "[vrijheid] geven tot het leiden van een oneerlijke levenswijze" en "het pleegen van oneere", zodat ze op grond van haar vreemdgaan het huwelijk konden ontbinden. Voor Cornelis was dit niet zo'n opgave: met gepaste trots verkondigde hij dat hij er toch al meerdere andere vrouwen op na hield. Petronella stemde hier niet mee in en was vastbesloten om er toch maar het beste van te maken. En Cornelis? Die ging over tot minder vriendelijke tactieken: naast het verpatsen van al haar kostbaarheden, begon ook de fysieke en verbale mishandeling.

In de maanden die volgen blijkt dat Cornelis een bijzonder kort lontje heeft. Zo explodeert hij in een wervelwind van schelden, slaan en schoppen wanneer de dienstmeid, Johanna, tegen zijn zin peterselie heeft gekocht. Als Petronella op een andere avond per ongeluk een wijnglas breekt, gooit Cornelis wat geld naar de dienstmeid toe en schreeuwt dat ze maar "een pop en een lijband voor mijn vrouw [moet] koopen, want zij gedraagt zich noch als een kind". In een derde incident belooft Cornelis al Petronella's ledematen te breken, omdat zij hem boerenbonen in plaats van worteltjes als diner had voortgezet.

In juni 1776 bewijst Cornelis nogmaals hoe harteloos hij kon zijn tegenover zijn jonge, hoogzwangere vrouw. Tijdens een vistripje in de buurt van hun buitenhuis in Diemen valt Petronella in het modderige water. In de chaos raakt Cornelis zijn net met vers gevangen vis kwijt. Als Petronella smeekt of hij haar uit het water wil helpen, krijgt ze naast de modder op haar lijf ook een lading verbale modder in haar gezicht: "Eerst moet ik mijn visch weerom hebben. Legt maar voor den blixem, ik zal u straks wel helpen!". Uiteindelijk trekt hij haar aan de benen de wal op en stampt boos weg.

Meerdere buren en bedienden verklaarden dat ze Petronella 's nachts hoorden huilen en smeken of God haar wilde helpen. Zeker met een kind op komst kon alle hulp welkom zijn – Cornelis had inmiddels ook gedreigd het kind binnen drie dagen te vermoorden als het bruine ogen zou hebben. Dan, in de zomer van dat jaar, begint Petronella aan een bijzonder "quaade kraam" die twaalf dagen en nachten geduurd zou hebben. Zelfs tijdens de bevalling is Cornelis ronduit wreed en weigert Petronella het voedsel te geven wat de dokter voor haar had aangeraden. Het kind is nooit geregistreerd in de doopregisters; een veeg teken dat het de stressvolle bevalling niet heeft overleefd.

Op 7 oktober komt een naburige boerin, Geertruij van Kooten, een hapje eten met Cornelis en Petronella in hun buitenhuisje in Diemen. Nadat Cornelis openlijk avances maakt naar Geertruij ("mijn hartje lief") is het voor Petronella genoeg. Terug in Amsterdam confronteert ze haar man en zegt dat ze zal vertrekken. Cornelis laat onmiddellijk de deur barricaderen en neemt de sleutel in beslag, maar Petronella laat zich niet tegenhouden. Ze klimt uit een zijraam, rent de Herenstraat op en schiet omstanders aan voor hulp. Na een omzwerving verschuilt ze zich in haar ouderlijk huis bij de Scharrebiersluis, bij haar moeder Sandrina Maria Burgers en stiefvader Jan Daniel Topander. Een week later, op 14 oktober, trommelt ze meerdere getuigen op om voor notaris Wilthuijzen te verklaren over haar echtgenoot. Allen zijn ze unaniem: als er geen stappen tegen Cornelis worden ondernomen, zal het voor alle partijen "allerdroevigste gevolgen" kunnen hebben.

Hoewel de eerste stappen gezet waren, was de situatie niet meteen opgelost. Het blijkt dat Cornelis zich niet neerlegde bij het weglopen van zijn vrouw, wat het begin was van een campagne van intimidatie en stalking. Op 1 december belt hij om 2 uur 's middags aan bij Petronella's ouders. De dienstboden horen wat binnensmonds gemompel voor de deur en herkennen meteen de schoonzoon van de baas. Ze besluiten niet open te doen, waarna ze langdurig het geschraap van een stok tegen de deur horen. 's Avonds, wanneer ze naar bed willen gaan, horen de dienstboden meerdere keren dat de ruiten worden ingegooid. Ze kijken naar buiten, en zien dat Cornelis en een vriend zich schuldig maken aan de vernielingen. Wanneer ze roepen, rennen de mannen snel weg. Ze laten het er niet bij zitten: op 3 december wordt het incident gedocumenteerd voor de hoofdofficier bij notaris Hendrik Daniël van Hoorn.

Petronella was erg bang voor haar man, en luchtte regelmatig haar hart in het bijzijn van haar ouders en hun bedienden. Ook Willem Plankman, een knecht van Cornelis, was hierbij aanwezig. Hij verklaarde dat, met alles wat hij over zijn baas wist, "hij hem als dan gemakkelijk aan de galg kon helpen". Bovendien waarschuwde Willem nog voor een aantal strooptochten die Cornelis had gepland: hij was in maart al meerdere keren "aan de swier" geweest en zou dat de komende nachten weer doen, dus de deuren en vensters van het huis moesten stijf gesloten blijven.

Alleen uit de verklaring van Trijntje Broes, de naaister van Petronella's ouders, blijkt dat Cornelis misschien ingezien moet hebben dat zijn daden onacceptabel waren. Ze vertelt dat Cornelis haar op 17 april 1777 staande had gehouden op straat, en schichtig had gevraagd wat ze allemaal wist over het drama tussen hem en zijn vrouw Petronella. Ze probeerde hem af te poeieren door te zeggen dat ze wel het een en ander wist, maar zich er niet mee wilde bemoeien. Plotseling stortte Cornelis zijn hart uit: hij wenste zó graag dat hij van zijn vrouw af was, dat hij bereid was om de stad te verlaten (na een enorm bedrag van vijftienduizend gulden ontvangen te hebben) én dat hij bang was dat men hem "achter de tralies zal zetten, en zulks zoude [zijn] doodskist zijn".

Hoe het afgelopen is met het huwelijk zelf moet nog naar boven komen in de notariële akten. Cornelis is echter nooit meer op het rechte pad gekomen. In 1795 pleegt hij vanwege een financieel conflict een brute moord ("op de hoek van de Geldersche kade (…) het zoogenaamde Hoerekolkje"), met een lang proces en uiteindelijk twaalf jaar verbanning uit Holland tot gevolg. Zijn ellenlange verhoor biedt meer dan genoeg stof voor tal van schandalige vervolgverhalen.

Tags

18e eeuwAmsterdamAttestatieDienstmeidDirk Willem van der BrugghenGeweldHoofdofficierHuwelijkVrouwenBuitenechtelijke relatiesHuiselijk geweld
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen