Behangselschilders Jacob Cats, Rutger Camerling en Hendrik Mooij in het Oude Hof

Historische datum 26 januari 1761 | Notaris Philippus Dorfling

Op 25 oktober is het weer de Europese Dag voor Justitie. Verklaringen die voor de notaris zijn afgelegd konden (en kunnen nog steeds) dienen als bewijs tijdens de rechtsgang. Wellicht is de verklaring van drie jonge behangselschilders bij notaris Philippus Dorfling daar ook een voorbeeld van, al ging het slechts om een paar kopjes koffie en thee.

In de protocollen van Philippus Dorfling zit een opvallende attestatie van behangselschilders Jacob Cats (1741-1799), Rutger Camerling (1737-1776) en Hendrik Mooij (1737-1801). Op 26 januari 1761 getuigden ze op verzoek van hun werkgever Jan Hendrik Troost van Groenendoelen (de requirant), dat ze in februari en begin maart 1760 in Den Haag – in dienst van de requirant en in opdracht van 'de heer M. Dier Tange' – 'een zaal op het oude hoff van zijn hoogheijd de heere Prince van Orange en Nassau' hadden geschilderd. De drie jonge schilders hadden dus nergens minder dan in het Oude Hof, het huidige Paleis Noordeinde, van stadhouder Willem V van Oranje-Nassau (1748-1806) gewerkt.

Ze verklaren vervolgens dat de requirant hen naast hun 'verdiende arbeijdsloonen' ook het kost- en slaapgeld voor hun verblijf in Den Haag had voldaan. Tijdens het schilderen van de zaal hadden ze, zonder dat ze dat hadden verwacht of erom hadden gevraagd, geregeld koffie en thee van de dienstmeiden gekregen. Ze meenden dat dit uit beleefdheid gebeurde; ze kregen in huizen van 'andere fatsoendlijke luijden' wel vaker koffie en thee geschonken. Daarbij stellen ze zeker te weten dat Troost van Groenendoelen geen opdracht had gegeven om 'die coffij en thee aan hen voor geld te schenken'.

Het is niet helemaal duidelijk wat hier nou precies aan de hand is geweest. Vermoedelijk heeft iemand – mogelijk de opdrachtgever of iemand anders van de hofhouding – de aan de schilders geschonken koffie en thee in rekening willen brengen bij Troost van Groenendoelen, die dat onterecht vond en deze akte heeft laten opmaken om zich daartegen te verweren. Als de zaak onderling niet zou kunnen worden opgelost, zou de attestatie ook als bewijs kunnen dienen tijdens de verdere rechtsgang. Omdat tot dusver geen andere akten over deze zaak zijn gevonden, tasten we over de afloop in het duister.

Naast dat we hierdoor van het bestaan van dit geschil weten, is deze akte heel interessant omdat het aangeeft dat Troost van Groenendoelen, eigenaar van een grote Amsterdamse behangselfabriek – waarover later meer – een opdracht aan het stadhouderlijke hof had. Wat zouden ze daar kunnen hebben geschilderd? En wat waren behangselschilders en -schilderijen eigenlijk?

In de achttiende eeuw was de behangselschilderkunst een bloeiende industrie en waren talloze vertrekken van woningen in de Republiek gedecoreerd met geschilderde behangsels. Op deze vorm van wandbekleding, aangebracht tussen de lambrisering en het plafond, waren historiestukken, landschappen of ornamenten aangebracht. Binnen dit segment bestond een ruim aanbod met een grote variëteit aan kwaliteit – van in opdracht op maat gemaakte schilderingen voor een bepaald interieur tot 'kant-en-klare' linnen behangsels waarop in olieverf patronen waren gedrukt of ornamenten waren gesjabloneerd en geschilderd. Veel achttiende-eeuwse schilders genoten hun opleiding of waren werkzaam in de behangselschilderindustrie, die in de tweede helft van de achttiende eeuw in Amsterdam werd gedomineerd door een aantal grote behangselfabrieken, waarvan die van Troost van Groenendoelen de belangrijkste was. In deze fabriek werden voornamelijk geschilderde en bedrukte kamerbehangsels en kleinere decoratieve schilderingen, zoals stukken voor boven deuren en schoorstenen, geproduceerd. Helaas zijn er weinig behangselschilderingen bewaard gebleven. Dit hangt grotendeels samen met de veranderende mode en smaak, waardoor in de eerste helft van de negentiende eeuw veel behangselschilderingen werden vervangen door nieuwe wandversieringen, en met de lucratieve handel in interieuronderdelen in de tweede helft van die eeuw, waardoor veel oude interieurs werden ontmanteld. Van de fabriek van Troost van Groenendoelen is de Chinese Kamer in Huis Verwolde bijvoorbeeld het enige op de oorspronkelijke locatie bewaard gebleven geheel. Wel zijn gelukkig relatief veel ontwerptekeningen voor behangsels bewaard gebleven, onder andere in de collecties van het Stadsarchief Amsterdam en het Rijksprentenkabinet (Rijksmuseum Amsterdam).

Een prachtig voorbeeld van een vertrek met bewaard gebleven behangselschilderingen is de Italiaanse Zaal in het Stadsarchief Amsterdam, die qua stijl in schril contrast staat met de rest van het gebouw. Deze zaal bevond zich oorspronkelijk in het nabijgelegen pand aan de Herengracht 466, waar de behangselschilderingen van Jan Augustini (1725-1773) in 1772 werden aangebracht. Nadat het pand in 1856 in het bezit van de Nederlandsche Handel-Maatschappij was gekomen, werd de zaal gebruikt als vergaderruimte. Toen de NHM besloot een nieuw hoofdkantoor te laten bouwen, was een van de eisen dat de zaal zou worden overgezet naar het nieuwe pand. Tegen de zin van architect Karel de Bazel (1869-1923) – in zijn ogen deed dit afbreuk aan de eenheid van het geheel – belandde de stijlkamer zo op de tweede verdieping van zijn meesterwerk.

Het Oude Hof was na het overlijden van Willem III (1650-1702) subject van een langslepende erfkwestie geweest en zo in handen van de Pruisische koningen gevallen. In 1754 slaagde Anna van Hannover, de weduwe van stadhouder Willem IV, erin het Oude Hof en Huis Honselaarsdijk te kopen van Frederik de Grote. Hoewel het stadspaleis in de daaropvolgende jaren werd gerenoveerd, zou het voorlopig nog niet vast worden bewoond door de stadhouderlijke familie. In 1760 werd het nog voornamelijk gebruikt als onderkomen voor gasten en een deel van de hofhouding, én voor ontvangsten en feesten. Over de opdracht die Cats, Camerling en Mooij uitvoerden is verder helaas niks bekend, maar het feit dat ze in februari en begin maart werkten is opmerkelijk. Vlak daarna vonden namelijk twee grote feesten plaats op het Oude Hof: op 5 maart het huwelijksfeest van Carolina van Oranje-Nassau (1743-1787) en Karel Christiaan van Nassau-Weilburg (1735-1788) en op 10 maart het jaarlijkse bal ter ere van de verjaardag van haar jongere broer Willem V.

Zoals in de akte te lezen valt, werkten de schilders aan een zaal in opdracht van 'de heer M. Dier Tange'. Dit was hoogstwaarschijnlijk Mathieu Diertange, die in verschillende bronnen van rond die tijd voorkomt als hoftapissier oftewel hoftapijtmeester van de Oranjes. Vermoedelijk was hij in deze rol niet alleen verantwoordelijk voor de (wand)tapijten van het hof, maar ook voor alle andere (wand)bekleding, dus ook behangselschilderingen, en mogelijk voor meer onderdelen van het interieur. Het is goed denkbaar dat Diertange bij feestelijkheden belast was met de aankleding van de wanden. Of voor het verjaardagsbal van Willem V speciale wandversieringen zijn aangebracht, is niet bekend. Maar in de zaal waar het huwelijksfeest van Carolina werd gehouden is dit zeker wel gebeurd. In verschillende kranten, zoals in de Opregte Groninger Courant van 14 maart, valt te lezen dat 'de Bruylofs-Zaal op het Oude Hof, Koninglyk geordonneerd, en tusschen de Penanten door de beroemdste Meesters met Festoenen van allerley zoorten van Bloemen, beschilderd was, en tusschen dezelve hongen [hingen] zeer fraaye op de wyze van Lusters geschilderde Zinnebeelden, welke met hou[n]derden Ligten gegarneerd waaren'. De geschilderde bloemenfestoenen en zinnebeelden, die voor de gelegenheid waren gemaakt, zouden heel goed door behangselschilders kunnen zijn vervaardigd. Zouden Cats, Camerling en Mooij dan hieraan hebben gewerkt? Het is niet hard te maken, maar gezien het bovenstaande is het in ieder geval heel goed mogelijk dat ze werkten aan iets van gelegenheidsdecoraties voor het huwelijk van Carolina – in de huwelijkszaal of elders in het paleis.

Van Camerling en Mooij is niet bekend hoe hun verdere carrières verliepen, maar van Cats – tegenwoordig vooral bekend als tekenaar – weten we wel meer. Hij was sinds 1759 als knecht verbonden aan de behangselfabriek en trad volgens een dienstcontract van 1 april 1761 met terugwerkende kracht per 19 juli 1760 in vaste dienst van Troost van Groenendoelen. Volgens het dienstcontract, dat tussen zijn vader en werkgever gesloten was, zou dit voor een periode van tien jaar zijn. Uit een insinuatie van 8 mei 1762 blijkt echter dat dit contract zou worden verbroken. Troost van Groenendoelen eiste dat Cats, die was weggelopen van de fabriek, terug zou keren naar zijn werk. Maar vader Cats antwoordde dat hij zijn zoon 'nooijt nog nimmer weer bij den Insinuant zou zenden omte schilderen'. Cats was in de fabriek voornamelijk veroordeeld tot praktische werkzaamheden, zoals het plamuren van doeken en maken van trekverf, en het schilderen van bloemen en andere versieringen – wat niet in lijn stond met zijn artistieke ambities. Vlak hierna, in 1762, begon Cats zijn eigen behangselfabriek, waar hij vooral (Hollandse) landschapsbehangsels zou maken. In het pand aan de Herengracht 310 zijn dergelijke behangselschilderingen van zijn hand vandaag nog te zien. Voor zover bekend zijn dit zijn enige overgeleverde behangsels. Hij zou zich uiteindelijk steeds meer op de tekenkunst toeleggen en na 1774 lijkt hij geen behangselschilderingen meer te hebben gemaakt. Gelukkig zijn er naast veel 'gewone' tekeningen ook ontwerptekeningen voor behangsels van hem bewaard gebleven, onder andere in de collectie van het Stadsarchief Amsterdam.

Geraadpleegde literatuur

Boer, Paul den, Het huijs int noorteynde. Het Koninklijk Paleis Noordeinde historisch gezien (Zutphen 1986) 69-79.

Dudok van Heel, S.A.C., 'Jacob Cats e.a. als behangselschilders in de fabriek van Jan Hendrik Troost van Groenendoelen', Maandblad Amstelodamum 59 (1972), 151-163.

Goossens, Eymert-Jan, Paleis Noordeinde. Vierhonderd jaar 'Hoff van Oraignen' (Zwolle 2008) 45-47.

Harmanni, Richard, Jurriaan Andriessen (1742-1819), 'behangselschilder' (proefschrift Universiteit Leiden 2006) 14-16, 111-114, 144, 154-166 en 301-302.

Heiden, Paula C. van der, 'Archiefonderzoek Oranjezaal' in:De Oranjezaal: catalogus en documentatie (2014) 24.

Lekkerkerk, Piet, Paleis Noordeinde (Zutphen 1991) 42-45.

Naber, Johanna W.A., Carolina van Oranje.Vorstin van Nassau-Weilburg, 1743-1787 (Haarlem 1910) 15-34.

Het leven van zyne doorluchtige hoogheid Willem Karel Hendrik Friso (…) Anne van Brunswyk-Luneburg (…), deel 3 (Amsterdam ca. 1760) 187.

Tags

18e eeuwAttestatieContractBehangSchilderkunst
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen