Zweeds-Amsterdamse slavenhandel

Historische datum 7 september 1798

In september 1794 vertrok Marten Dreewes met het schip d'Elmina Pacquet van Amsterdam naar de kust van Guinee om daar mensen te kopen. Dreewes moest hen naar Suriname brengen om hen daar te verkopen aan plantage-eigenaren. Het schip d'Elmina Pacquet was eigendom van de reders Johannes Fåhraeus en Johan Joachim Laurin, twee Zweedse immigranten die in Amsterdam een succesvol handelshuis runden. Wat gebeurde er tijdens deze reis, die nog niet is opgenomen in de omvangrijke internationale database op slavevoyages.org?

Dreewes moest de tot slaafgemaakte mensen naar Suriname brengen om hen daar te verkopen aan plantage-eigenaren. De Amsterdamse Courant meldde op 28 mei 1795 dat de d'Elmina Pacquet op 21 maart in Suriname was aangekomen "met een armazoen slaaven". De oversteek van de Afrikaanse kust naar Suriname had 43 dagen geduurd, waarna 228 tot slaafgemaakte mensen daar werden verkocht.

Na afloop ontstond er echter onenigheid tussen de firma Fåhraeus & Laurin en kapitein Dreewes over het door hem ingeleverde scheepsjournaal. Er was onduidelijkheid over het aantal tot slaaf gemaakte Afrikanen dat Dreewes tijdens deze reis voor eigen rekening had verhandeld. Kennelijk voelden Fåhraeus en Laurin zich hierdoor benadeeld. Om hierover duidelijkheid te krijgen, verzochten Fåhraeus en Laurin de opperstuurman Abraham Brink van de d'Elmina Pacquet om hierover een officiële verklaring af te leggen. Op 7 september 1798 verklaarde Brink voor notaris Jan Fredrick Meijer dat naar zijn stellige mening kapitein Dreewes slechts zeventien tot slaaf gemaakten voor eigen rekening had gekocht – 'gemerkt op de linkerschouder door inbranding met een Pijpekop O' – en niet 34, zoals het door Dreewes opgestelde scheepsjournaal vermeldde. Brink verwees naar het door hemzelf opgestelde logboek en naar zijn gedurende de reis gemaakte aantekeningen. Bovendien bevestigden de aantekeningen van de scheepsdokter ook het aantal van zeventien mensen.

Deze verklaring maakt pijnlijk duidelijk hoe tot slaaf gemaakte mensen werden behandeld en verhandeld. Brink verklaarde het volgens hem juiste aantal als volgt:

" Verklaarde hij Getuijge dat het getal der koppen slaaven, die zoo op de Bovenkust als te D'Elmina aan Boord van 't voorz. schip zijn gebragt hebben bestaan in de volgende, als:
op de Bovenkust ingeruijld 82 stuks en gemerkt FL conform het geproduceerde Journaal dus

82 stukste D'Elmina ingelaaden van dito merk

26 ditoop de Bovenkust en te D'Elmina aan boord gebragt gemerkt T 9

ditoaan d'Elmina [gemerkt] E of I: E K 8 dito

,, [gemerkt] ARK of R 4 dito

,, [gemerkt] I: N 14 dito

,, [gemerkt] R of I R 18 dito

,, [gemerkt] K of I F K 4 dito

,, zonder merk 2 stuks

,, gemerkt R zijnde volgens gezegde gekocht van
ontvangen vragtpenningen 13 dito

,, gemerkt O op de beijde billen en toebehoort
hebbende aan hem getuijge 25 dito

,, gemerkt O op de linker schouder, toebehoort
hebbende aan capiteijn Dreewes 17 dito

,, gemerkt O op de regter schouder, toebehoort
hebbende aan den scheepsdoctor 2 stuks

en ,, gemerkt VB (of ARK) zonder te weeten van
wien desen hebben toebehoort 4 stuks

Dus in t geheel 228."

Uit dit overzicht blijkt dat de tot slaaf gemaakte mensen voor verschillende handelaren werden aangekocht, het grootste aantal voor de firma Fåhraeus & Laurin (108, gemerkt FL), maar ook kleinere aantallen voor andere handelaren. Bovendien handelden ook bemanningsleden zoals de kapitein, opperstuurman Brink en de scheepsdokter in tot slaaf gemaakten.

Abraham Brink was overigens een ervaren slavenhaler. In 1792 was hij tweede stuurman op het Franse slavenschip Le Nouvelle Societé, gevoerd door kapitein Reliquet. Dit schip vertrok vanuit Nantes naar Angola en van daaruit naar Martinique en Saint Domingue. [3] Na Brink's reis in 1794/1795 met de d'Elmina Pacquet in Suriname maakte hij de terugreis naar Amsterdam als passagier met het Amerikaanse schip the Faire Americaine, met kapitein Thomas Hadeway. [4] Vanuit Amsterdam vertrok Brink op 11 februari 1796 opnieuw naar de kust van Guinee om tot slaaf gemaakten te halen, deze keer als kapitein van het schip Sweriges Waapen, eigendom van de reeds genoemde Johan Joachim Laurin.

Terug naar de door Brink afgelegde verklaring. Wat was hier nu eigenlijk het probleem? Als Dreewes inderdaad zeventien in plaats van 34 tot slaaf gemaakten had verhandeld, was dat wellicht financieel ongunstig voor hemzelf, maar niet voor Fåhraeus en Laurin. Als er echter zeventien personen minder aan boord waren dan de kapitein had opgegeven, was er wel meer ruimte geweest om voor rekening van Fåhraeus & Laurin extra tot slaaf gemaakte mensen te kopen. Waren ze daardoor inkomsten misgelopen? De verklaring geeft hierover geen informatie.

Bronnen:

Delpher, Amsterdamse Courant, 28 mei 1795.

Stadsarchief Amsterdam (SAA), 5075, inv.nr. 16845, akte 190, 7 september 1798.

Anne Agardh, Brink, den Svenske Slavkaptenen (Stockholm 2011), 155.

SAA, 5075. inv.nr. 16836, akte 208, 13 augustus 1795

Tags

18e eeuwAfrikaAmsterdamAttestatieContractMigratiePlantagesSlavernij
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen