Op water en droog (rogge)brood

Historische datum 28 december 1708 | Notaris Joan Hoekeba(c)k

Middeleeuwse en vroegmoderne kerkers worden vaak verbeeld als donkere, vochtige holen gevuld met smoezelige gevangenen. Als we de door vrijwilliger Jan van Wassenhove gevonden getuigenis van een gearresteerde koopman mogen geloven, bevond zich onder het stralende Stadhuis van Amsterdam een gevangenis die aan alle duistere clichés voldeed.

Koopman Jaques Cabrol was in de beginjaren van de achttiende eeuw verzeild geraakt in een complex zakelijk geschil. Honderdduizenden guldens stonden op het spel, en partijen in Londen, Antwerpen, Friesland en Amsterdam waren erbij betrokken. Jaques had vanwege zijn financiële schulden in het conflict een machtige vijand gekregen: Benjamin Dutrij, een belangrijke zakenman en bewindhebber van de VOC. In 1705 kreeg Dutrij het voor elkaar om Jaques in Leeuwarden in gijzeling te brengen. Later zou Jaques opmerken dat dat zo slecht nog niet was. Hij had een royale schikking getroffen met het hof in Friesland en kreeg een mooi, burgerlijk vertrek met een goede bezoekregeling om zijn gijzeling uit te zitten.

Maar lang duurde de Friese gastvrijheid niet: eind 1705 werd Jaques tussen kerst en Oud en Nieuw uitgeleverd aan Amsterdam. Er was hem beloofd dat hij ook daar in een mooi appartement in het Stadhuis kon verblijven. Er wachtte hem echter een vervelende verassing toen hij op 28 december binnentrad: hij moest afdalen naar de kelder, en werd naar de ondergrondse kerkers geleid. Eenmaal in de cel zelf bleek het nog erger: tot zijn enorme afgrijzen moest hij die delen met twee "banqueroetiers", een frauduleuze kruier, en een man die van spionage verdacht werd. Later, zo verklaarde hij, kreeg hij een hernieuwde waardering voor deze oorspronkelijke celmaatjes: in de maanden die volgden werden ze uitgewisseld voor een scala aan nog veel heviger uitschot die hem geen nacht rust gunden met hun "groot geschreeuw, ongebondenheyd en het rooken van stinkende tabak".

Ergens tussen 1706 en 1708 krijgt Jaques toch nog de privacy waar hij naar snakt. Wanneer notaris Joan Hoekeback vlak na kerstmis op 28 december 1708 een bezoek brengt aan het stadhuis, treft hij Jaques aan in een eenmanscel. De notaris had zich begeven in een "donkere en duijstere camer" met hele dikke tralies – meer dan op andere cellen – en bemerkt in de introductie van de akte dat niemand in de cel zou kunnen lezen of schrijven zonder lamp, ook niet op klaarlichte dag.

Jaques barst los tegen Hoekeback over hoe hij de afgelopen jaren behandeld was in de gevangenis. Hij had geen bed, turf of kaarsen, en niemand had hem dat ooit aangeboden. Het eten was afgrijselijk: als ontbijt kreeg hij twee dunne, beboterde sneetjes roggebrood; als lunch roggebrood met een bekertje melk; en als diner twee kleine sneetjes roggebrood met wat smerige kaas en een beetje bier. Dat was overigens als de cipiers zich gul voelden: af en toe werd er in zijn rantsoen en toelage gesneden en kreeg hij alleen maar droog brood en kaas. Op dat soort dagen werd hij dan genoodzaakt om zelf zijn aanvullende kostje bij elkaar te scharrelen, al vertelt hij niet hoe dat in zijn werk ging.

Jaques had het nog het zwaarst met de isolatie. Hoewel hij zijn cel niet meer hoefde te delen met allerhande "canaille", had hij de afgelopen jaren het andere uiterste beleefd. Niemand mocht hem bezoeken of met hem spreken in de cel. Hij had zijn vrouw Marie al drie jaar niet mogen zien. Juridische hulp was ook onbereikbaar, want zijn advocaat mocht ook niet binnen komen. Jaques voelde (letterlijk) het gemis van de chirurgijn nog het meest in zijn cel. Hij was meerdere keren ziek geworden, maar niemand mocht hem komen onderzoeken. Bovendien had hij door de vochtigheid heel veel kiespijn gekregen. Pas na heel veel smeken mocht de chirurgijn op het Stadhuis komen – maar Jaques moest zijn hoofd tegen het ijzerwerk drukken zodat de chirurgijn dóór de tralies heen de tand "met groote moeyte en gevaer" kon trekken.

Het is begrijpelijk dat Jaques over dit alles niet te spreken was. Hij verklaarde tegen Hoekenback dat deze behandeling "onregtmatig en seer hard, maer ook wreed" voor een man van zijn leeftijd en eer was. Hij was ervan overtuigd dat alles het resultaat was van een complot van Dutrij: als de Hoge Raad van Holland wist wat er met hem gebeurde in de kerkers van het Stadhuis, dan zouden die er zeker een einde aan maken. Maar tot die tijd kon Jaques alleen maar mokken en vrezen dat hij dadelijk door Dutrij's schuld zou "vergaen en sterven". In 1709, 1710 en 1711 liet Jaques notaris Hoekenback regelmatig opdraven in de kerker om nieuwe aktes te bestellen, en lijkt het erop dat hij zich toch niet bij zijn lot neerlegde. Zo machtigt hij zijn vrouw en zijn broer om hier en daar wat financiële conflicten op te lossen, stelt raadsheren aan om te pleiten bij de Hoge Raad, en laat wat compagnons een verklaring afleggen dat hij volledig berooid is en dus recht heeft op pro deo rechtsbijstand.

Jaques had het ongetwijfeld zwaar in de diepste krochten van het Stadhuis. Maar of hij het zo zwaar had als hij verklaarde aan Hoekeback, valt te bezien. Op 1 januari 1709 ondervraagt de notaris kort de cipier en diens knecht over enkele beschuldigingen die Jaques tegen hen had geuit, bijvoorbeeld over de restrictie van zijn rantsoen en toelage. Cipier Faber en diens knecht Isaak ontkennen bijna alles, en verklaren dat ze Jaques het gebruikelijke onderhoud hebben geboden, maar dat Jaques alles afwees. Ook verschijnt Jaques – als we de registratie moeten geloven - samen met zijn vrouw als getuige bij een doop in de Oude Waalse Kerk op 20 maart 1708. Waarschijnlijk was hij getuige in absentia, maar zo niet, dan hield de zogenaamd sombere en strenge Stadhuisgevangenis er een wel zeer coulant verlofbeleid op na. In dat geval was Jaques niet vies van een leugentje of twee tegen de notaris.

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen