Zweeds-Amsterdamse slavenhandel 2 - Sweriges Waapen


Amsterdam was van de late zestiende tot de negentiende eeuw nauw betrokken bij de slavenhandel en de slavernij. Het vorig jaar verschenen boek 'De Slavernij in Oost en West' geeft een duidelijk beeld van deze betrokkenheid. Op allerlei manieren zijn er in Amsterdam sporen van de slavenhandel en de slavernij te vinden. Dat er ook Zweden betrokken waren bij de Amsterdamse slavenhandel is tot nu toe niet erg bekend. AAA-vrijwilligers Els Vermij en Willem-Jan van Grondelle troffen in hun onderzoek opnieuw een Zweeds-Amsterdams slavenschip aan: Sweriges Waapen.

De Sweriges Waapen was eigendom van de Zweedse immigrant Johan Joachim Laurin. Deze Zweedse koopman was omstreeks 1775 naar Amsterdam gekomen en had zich aangesloten bij de handelsfirma van zijn oom Johannes Fåhraeus. Deze Fåhraeus – net als Laurin afkomstig van het Zweedse Oostzee-eiland Gotland - had zich een tiental jaren eerder als koopman in Amsterdam gevestigd. De op de Herengracht gehuisveste firma Fåhraeus & Laurin richtte zich vooral op de handel met de West-Indische koloniën, en zodoende ook op de slavenhandel.

De Sweriges Waapen vertrok op 11 februari 1796 onder bevel van Zweedse kapitein Abraham Brink van de rede van Texel naar de kust van West-Afrika. Voor vertrek werden allerlei goederen ingeladen, waarmee de kapitein ruilhandel kon bedrijven om gevangen Afrikanen aan te kopen. De eigenaar Laurin verklaarde bij de Amsterdamse notaris Jan Fredrik Meijer dat de lading als volgt was samengesteld:

  • 800 kleine kelders en drie aamen met moutwijn
  • 100 grote kelders genever
  • 50 kassen wijn
  • 80 staven ijzer
  • een kist met spiegels
  • 49 vaten matrozen mutsen
  • 3 kassen glaswerk
  • 11 manden aardewerk
  • 40 kisten en twee kelders tabakspijpen
  • 2 vaten tabak
  • 3 vaten en twee pakken lijwaaten
  • 50 kistjes boter
  • 695 stuks kazen
  • 50 hammen
  • 16 oxhoofden bier
  • een ton azijn

Volgens de verklaring was de lading bestemd voor d'Elmina, een centrum van de slavenhandel aan de Afrikaanse kust. Alle goederen waren gemerkt met de letters AB (Abraham Brink).

In de verklaring benadrukte Laurin dat de lading eigendom was van de Zweedse firma Sahlstén & Laurin, en dat de goederen dus onder neutrale vlag werden vervoerd. In verband met de oorlog tussen Engeland en Frankrijk was Laurin namelijk een compagnonschap aangegaan met de Zweedse koopman Johan Sahlstén in Göteborg. Zo kon hij zijn schepen onder neutrale vlag laten varen. Het door de Fransen bezette Nederland werd door de Engelsen als vijandelijk beschouwd. Nederlandse schepen liepen daarom een groot risico door de Engelsen te worden gekaapt. Schepen onder de neutrale Zweedse vlag daarentegen waren in principe van kaping gevrijwaard.

De reis naar West-Afrika verliep aanvankelijk zonder problemen. Ter hoogte van Tenerife werd de Sweriges Waapen inderdaad door Engelse kapers aangehouden. Kapers, of commissievaarders, waren particuliere schippers die met toestemming van een oorlogvoerende overheid - in dit geval de Engelse - schepen van vijandige mogendheden overvielen en in beslag namen. Dankzij de Zweedse papieren liep de kaping goed af, ze mochten verder varen en in maart 1796 arriveerde de Sweriges Waapen bij de Goudkust.

Bij de Goudkust ging kapitein Brink op zoek naar slavenhandelaren om van hen zijn beoogde lading te kopen. Hij was echter bepaald niet de enige slavenhaler die daar zaken probeerde te doen. Naast de Hollanders hadden ook de Engelsen en de Denen hun handelsposten en forten langs de West-Afrikaanse kust. Het duurde dan ook maanden voor hij het beoogde aantal slaafgemaakte Afrikanen kon kopen.

Halverwege zijn zwerftocht langs de Afrikaanse kust liep het schip tijdens een storm flinke schade op. Alle ankers gingen verloren bij een geslaagde poging om stranding te voorkomen. De omvang van de schade is in dit geval terug te vinden in het Stadsarchief Amsterdam in een vonnis van averij-grosse. Het verzoek tot beoordeling van de averij-grosse werd gedaan door Johannes Fåhraeus, als vertegenwoordiger van Johan Joachim Laurin, de eigenaar van schip en lading. In het vonnis bepaalde de Amsterdamse Kamer van Assurantiën en Averijen de schade op 6.450 gulden en vijftien stuivers. De waarde van de lading bedroeg volgens opgave van Fåhraeus 20.000 gulden voor 96 slaafgemaakten en het schip werd getaxeerd op 10.500 gulden. De schade werd evenredig over deze twee bedragen verdeeld. Het is overigens opmerkelijk dat bij de opgegeven lading geen goederen staan vermeld. De geclaimde schade deed zich voor terwijl nog lang niet alle slaafgemaakten waren ingekocht. Men zou dus verwachten dat een deel van de meegebrachte ruilgoederen nog aan boord was.

De zoektocht naar slaafgemaakten ging verder en uiteindelijk vertrok de Sweriges Waapen op 29 november 1796 met 176 Afrikaanse gevangenen van Afrika naar Amerika. Daar kwamen ze op 18 januari 1797 aan voor de kust van Suriname. De volgende dag werd het schip gekaapt door twee Engelse schepen van Grenada, de Cecile, kapitein Edward Nichols, en de Dolphin, kapitein Samuel Smith. Ondanks de Zweedse papieren werd het schip deze keer wel door de Engelsen in beslag genomen. Schip en bemanning werden opgebracht naar Saint George, de hoofdstad van Grenada. Daar werd de bemanning verhoord. Alle documenten (de scheepspapieren en Brink's persoonlijke papieren) werden eerst vertaald in het Engels. Het verslag van het verhoor en alle papieren liggen nog altijd in The National Archives in Londen. De protesten van kapitein Brink hadden geen succes. De rechter besloot dat het schip terecht in beslag was genomen en dat de lading door de kapers mocht worden verkocht. Brink reisde vervolgens naar Londen om bij His Majesty's High Court of Appeal for Prizes in beroep te gaan tegen dit besluit. Voor zover bekend heeft dat geen resultaat gehad.

Zo eindigde de reis van de Sweriges Waapen bij Grenada. Brink reisde van Londen terug naar Amsterdam en vertrok na enige tijd naar Noord-Amerika.

---

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Gooise Sporen 2020 nr.4, Afdelingsblad van de afdeling Gooiland van de Ned. Genealogische Vereniging.

Geraadpleegde literatuur:

Anne Agardh, Brink, Den Svenske Slavkaptenen, Stockholm 2012.

Willem-Jan van Grondelle en Els Vermij, 'Van immigrant tot rijke koopman, de lotgevallen van vier Gotlanders in Amsterdam', Amstelodamum 4-2020, p. 220-237.

Tags

18e eeuwSlavernijslavenhandelSurinameElmina
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen