'Seer beestagtigh en brutaal'

Historische datum 1706 | Notaris Martin Lindouw

Er waren veel vrouwen in vroegmodern Amsterdam die zwaar te lijden hadden onder hun gewelddadige, alcoholistische of ontrouwe echtgenoten. Maar achter de deur van een huis op de Fluwelenburgwal (Oudezijds Voorburgwal) waren het een jonge vader en zijn babyzoontje die door de pesterijen van de vrouwen in huis tot wanhoop gedreven werden.

Eind 1704 trouwde de 25-jarige koopman Jan Rudolf van der Upwich met de 20-jarige Geertruijd Ermen. Krap 9 maanden later werd hun zoontje Pieter geboren. Als het huwelijk überhaupt al ooit gelukkig was geweest, was dat slechts van korte duur: vlak na hun eerste huwelijksjubileum verschijnen er getuigen voor notaris Martin Lindouw om verslag te doen over alles wat Geertruijd haar man had aangedaan.

Het is inmiddels een bekende openingsparagraaf in attestaties met een karakterschets: Geertruijd is van een kwaadaardig karakter en omgang, met een onverdraaglijk humeur. Ze blijft hele dagen weg zonder aan Jan Rudolf te vertellen waar ze was, scheldt hem uit voor 'schoft' en 'schelm' en heeft de gewoonte om hem te krabben en te slaan. Ze kijkt nauwelijks om haar het huishouden en naar kleine Pieter, en brengt liever haar tijd door met "vermaak en divertissement met andere manspersonen".

Jan Rudolf kon (of durfde) maar weinig te beginnen tegen zijn licht ontvlambare vrouw. Pogingen om te de-escaleren hadden vaak het tegenovergestelde effect. Volgens de getuigen had Jan Rudolf ergens in 1705 een keer tot 10 uur 's avonds gewacht tot Geertruijd thuis kwam, maar toen dat niet gebeurde, is hij maar naar bed gegaan. Toen Geertruijd toch om half 11 nog verscheen, beantwoorde ze zijn slaperige vraag waar ze geweest was met krabben en tirades. Jan Rudolf vroeg nog of ze bij hem te bed kwam, maar dat wilde ze al helemaal niet: liever trapte ze de versleutelde kast met lakens open om ergens anders een bed te maken. Andere ruimtes in het huis waar Geertruijd vernielingen aanrichtte waren Jan Rudolf's comptoir (waar ze al zijn inkomende en uitgaande brieven van de lessenaar had gemept) en de zaal, waar ze een ruitje in de deur stuk had geslagen en Jan Rudolf met een kandelaar had belaagd. Een aparte attestatie van chirurgijn Abel Bossu bevestigt dit: Bossu had Jan Rudolf aangetroffen met een zware wond aan zijn hand en rechteroog, waardoor hij weken verpleging nodig had en langdurig niet kon schrijven. Geertruijd lijkt hier maar weinig verbolgen over zijn geweest: ze zou hem "zo waarlijk als God leefde den hals (…) breeken".

Helaas was er nog een andere vrouw in huis die Jan Rudolf en zijn zoontje het leven zuur probeerde te maken. Notaris Lindouw noteerde ook talloze verklaringen over het onbehouwen gedrag van de min, Eva Pieterse Hoogland. Net zoals Geertruijd deed ze continu "seer beestagtigh en brutaal" tegen Jan Rudolf, en toonde ze hem het minste of geringste respect als werkgever. Ook dreigde Eva regelmatig met geweld tegen hem: ze zou haar broers op hem afsturen, en die zouden hem wel "een snee in de bek" geven. Diverse getuigen verklaarden dat Eva een alcoholiste was, die zowel buiten als onder werktijd onder invloed was en zich af en toe zelfs schaamteloos tegoed deed aan de wijnvoorraad van Jan Rudolf. Een van de getuigen verklaart zelfs dat hij tijdens een wandeltocht buiten de stad in de zomer van 1706 gepasseerd werd door een wagen, en dat hij had gezien dat Eva stomdronken uit deze wagen op de weg was gevallen. Net zoals Geertruijd had ook Eva de gewoonte om Jan Rudolf's comptoir binnen te dringen en zich onbehouwen tegen zijn cliënten te gedragen; de andere bedienden probeerde ze naar verluid regelmatig tegen hem op te hitsen.

De ernstigste verwijten omtrent Eva's gedrag betreffen haar vaardigheden als kinderjuf. De verzorging van baby Pieter liet extreem veel te wensen over. Hele dagen werd hij niet gevoed (terwijl Eva ondertussen zelf de keuken leeg at en dronk), en als hij al gevoed werd dan was het met uiterst ongeschikt voedsel. Eva gaf het kindje "allerlije soorten van vrugten en andere snoeperijen", waaronder "groenties" die niet geschikt waren voor baby's, en grote hoeveelheden druiven en perziken. Volgens de getuigen had Pieter maandenlang zeer zwaar gehoest en waren ze bang geweest dat hij zou stikken en overlijden. Ook was hij door de slechte voeding continu aan de diarree. Eva zou de vuile luiers niet gewassen hebben, maar ze gewoon opnieuw aangetrokken hebben, waardoor de huid van Pieter's billetjes begon af te bladderen en hij continu huilde. Naast de slechte voeding en hygiëne beschuldigden de getuigen Eva er ook van dat ze de baby blootstelde aan slecht gezelschap. Eva's moeder had een pension voor zeelieden, en Eva ging zelf maar al te graag met deze mannen om. Als ze 's avonds uitging met de baby, stonden er voor Jan Rudolf's huis op de Fluwelenburgwal vaak "eenige karels gekleet als sevarend" volk te wachten, eventueel verstopt achter de bomen voor het huis, en verdween Eva met de baby en deze mannen in de nacht. Op 15 september 1706 deed Rudolf een poging om Eva te ontslaan middels een insinuatie: Pieter zou dadelijk één jaar oud worden, dus het was niet meer nodig om hem te laten zuigen. Uit verdere verklaringen is te lezen dat Eva weigerde te vertrekken en alleen maar wraakzuchtiger en pesteriger werd in de maanden daarna.

Geertruijd en Eva hadden de nare gewoonte om de krachten te bundelen om Jan Rudolf extra te terroriseren. Ze bedachten een vrij opvallende tactiek: wekenlang sliepen ze samen op het bed van Jan Rudolf, zodat hij gedwongen was om in de koude woonkamer te slapen. Het werd Jan Rudolf te veel in het najaar van 1706. Volgens de getuigen werd hij overmand door bedroefdheid en is hij het huis uitgegaan om zijn verdriet weg te drinken. Toen hij lichtelijk dronken weer thuiskwam ontvlamde Geertruijd wederom in extreme woede, wat hem nog radelozer maakte. Volgens de verklaring van zijn knecht Johannes trok Jan Rudolf zijn degen, zette het op zijn eigen borst, en verklaarde dat hij "liever sterven als sodanig te leven" wilde. Johannes wierp zich op Jan Rudolf om te verhinderen dat hij zichzelf wat aan zou doen. Toen ze op de grond vielen leek het even alsof Rudolf alsnog gewond of dood was. Geertruijd viel daarop op haar knieën en bad "man, vergeeft hij togh hetgeen ik u misdaan heb". Toen het bleek dat Jan Rudolf toch niks mankeerde stond Geertruijd echter meteen weer op en barstte ze samen met Eva uit in een harteloze schaterlach.

De verhalen van het nodeloos wrede gedrag van Geertruijd en Eva ten opzichte van Jan Rudolf en zijn zoontje lijken wat eenzijdig: is er misschien meer gebeurd waardoor de vrouwen zich zo gedroegen? De akten van Lindouw vertellen het ons niet – eerder het tegenovergestelde: de getuigen verklaren consequent dat Jan Rudolf een lieve, zachtaardige man is van een "heel gemakkelijke, fatsoenlijke en ordentelijke omvang". Bovenal was hij naar verluid een zorgzame vader: de getuigen hadden zelden een vader gezien die zo veel liefde en affectie aan zijn kind toonde als Jan Rudolf aan kleine Pieter. Maar hij liet het er niet bij zitten. De akten bij notaris Lindouw waarin hij de mishandelingen liet documenteren zijn een teken van assertiviteit en waren ongetwijfeld bedoeld om een scheiding te bewerkstelligen bij de Hoge Raad, en met succes. Op 12 december 1707 tekende juffrouw Geertruijd Ermen, 'gesperareerde huisvrouw van Jan Rudolph van der Upwich' voor het ontvangst van onder meer 'juwelen, gout, silver, meubelen' en dat zij verder niets meer op Jan Rudolf te pretenderen had. Lang heeft hij niet van zijn vrijheid kunnen genieten: in december 1708 overlijdt hij. Zijn de facto weduwe Geertruijd gaat dan opnieuw in ondertrouw. Ze woont dan nog altijd op de Fluwelenburgwal, waar zo veel pijn was geweest. [...]

Tags

huwelijkDronkenschap
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen