Het testament van Anna Maria van Cheribon


Op dinsdag 14 maart 1780 liet Anna Maria (zonder achternaam), afkomstig van Cheribon op Java, bij notaris Pieter de Wilde haar testament opmaken. Ze legateerde 'aan de Luthersche Diaconies armen binnen deese stad een somma van vijftig guldens eens tot een erkentenis van de assistentie die Diaconen indertijd aan haar comparante als vreemdeling hebben bewezen' en vermaakte de rest van haar nalatenschap aan 'Jan Ham, Mr. Schilder, Blikslager en Aanspreeker, en Catharina Visscher, echtelieden, woonende binnen deese stad op Uijlenburg'. [1] Wie was deze Anna Maria en hoe kwam zij in Nederland terecht?

Uit het testament blijkt dat Anna Maria in 1761 als slaafgemaakte was meegekomen naar Amsterdam met Pieter Herstad, de boekhouder en scriba op de VOC-handelspost Cheribon op Java.[2] Zij was op dat moment ongeveer 13 jaar oud. Pieter Herstad, geboren in Christiania (tegenwoordig Oslo), was op 5 juli 1749 als bosschieter met het VOC-schip Prinses Carolina naar Indië gevaren. Daar schopte hij het tot boekhouder - ook wel assistent of 'geswoorene scriba' - bij de VOC. Hij trouwde er met de op Cheribon geboren Catharina Hoevenaar, dochter van een VOC-dienaar. Toen Herstad na een verblijf van ruim elf jaar in Indië terugkeerde naar Amsterdam, nam hij niet alleen zijn vrouw en twee kinderen mee, maar ook een 13-jarig inlands meisje, Anna Maria, wellicht als kindermeisje voor zijn twee jonge dochtertjes en ook als dienstmeisje voor zijn zwangere vrouw.

Herstad werd voor deze reis aangesteld als Secretaris van de Retourvloot op het Commandeurschip Radermacher. De reis verliep niet zonder problemen. In Kaap de Goede Hoop bleek Pieter Herstad ziek, zodat hij 'uijt hoofde van desselfs swacke Lighaams gesteldheijd' en ook vanwege de vergevorderde zwangerschap van zijn vrouw, met zijn gezin moest achterblijven toen de Radermacher zes weken later naar patria vertrok. Herstads gage werd tijdelijk stopgezet, en het gezin verbleef drie maanden op de Kaap.[3] Herstad en zijn vrouw lieten daar op 11 maart voor de zekerheid hun testament opmaken.[4] Op 22 april reisden ze door met de Oranjezaal (kapitein Jurriaan Molensteen) naar Amsterdam, waar ze begin augustus 1761 aankwamen. Tegelijkertijd vertrok van de Kaap ook een andere VOC-dienaar uit Batavia, Adriaan Groenendaal, met zijn gezin, die toestemming kreeg van de Politieke Raad om 'zijn twee slavinnen genaamd Tia van Boegies en Leonora van Timor' mee te nemen naar Amsterdam.[5] Opmerkelijk genoeg wordt Anna Maria van Pieter Herstad in dat besluit niet genoemd. Mogelijk werd zij vanwege haar jonge leeftijd als lid van het gezin beschouwd. Onderweg, op 13 mei 1761, beviel Catharina van hun derde dochter, Catharina Petronella. Catharina Petronella werd vier maanden na haar geboorte in de Lutherse kerk in Amsterdam gedoopt.[6]

De aankomst in Amsterdam moet op Anna Maria een overweldigende indruk hebben gemaakt. Ook Catharina was waarschijnlijk nooit verder geweest dan Cheribon. Dat Pieter en Catharina van plan waren zich blijvend in Amsterdam te vestigen, blijkt uit een akte die Pieter Herstad een maand na hun aankomst in Amsterdam liet opmaken.[7] Daarin machtigde hij een koopmansbode in Middelburg om bij de Bewindhebbers van de Oost-Indische Compagnie aldaar niet alleen zijn verdiende gage te innen, maar ook de 'uijtleveering van zijn twee gepermitteerde kisten, met daarin zijn meubilaire en huishoudende goederen' te verzoeken. Deze kisten waren met het eerste schip van de thuisreis, de Radermacher, in Middelburg aangekomen.

Slechts enkele maanden later overleed Pieter Herstad in het huis van kapitein Jurriaan Molensteen op de Prinsengracht, tegenover de Amstelkerk, wat erop wijst dat het gezin ook in december nog geen eigen onderkomen had gevonden. Op 16 december 1761 werd Herstad begraven in de Oude Luthersche Kerk.[8] Zijn vrouw bleef achter met drie kleine kinderen. Zij hertrouwde een half jaar later op 11 juni 1762 met ene Johan Frederik Scheuer. Scheuer overleed al binnen een jaar na hun huwelijk, waarna Catharina nog een keer hertrouwde. Zij overleed in 1774.

Wat gebeurde er in deze periode met Anna Maria? Bleef zij bij het gezin van Catharina Hoevenaar en haar nieuwe echtgenoot, of moest zij zelf haar weg zoeken in Amsterdam? In de akte van bewijs die Catharina Hoevenaar ten tijde van haar tweede huwelijk, een half jaar na de dood van haar eerste man liet opmaken, wordt met geen woord gerept over Anna Maria.[9] Was zij toen al weggestuurd? Blijkbaar hebben Claas Duijff en zijn vrouw Maria van Beek, leden van de Lutherse Kerk, zich over haar ontfermd. In haar testament laat zij noteren dat 'zij comparante naar [=na] haar vrijheid bekomen te hebben door wijlen Monsieur Claas Duijf alhier is gebragt tot het christen geloof en also in de Luthersche gemeente alhier gedoopt geworden'. En zo vinden we in het doopregister van de Evangelische Luthersche Gemeente de doopinschrijving op 17 juni 1766 van Anna Maria, met de namen van haar ouders - vader Beijda, moeder Missi - en als getuigen Claas Willemse Duijf en zijn vrouw Maria van Beek. Daarbij staat geschreven: 'Bejaard persoon, geboren te Seribon in Oost-Indien, oud omtrent 18 jaren'.[10]

Volgens de doopinschrijving was van Anna Maria – zoals bij veel slaafgemaakten – geen achternaam bekend. Haar voornaam Anna Maria was haar waarschijnlijk destijds in Cheribon door haar eigenaars gegeven; gezien haar achtergrond zal dat niet de naam zijn geweest die zij bij haar geboorte van haar ouders had meegekregen. Maar in 1766 werd ze in Amsterdam wel als een vrij persoon gedoopt. Slavernij was binnen de Republiek – en ook in Amsterdam – officieel verboden. Slaafgemaakten die vanuit het buitenland meekwamen met hun eigenaar waren na aankomst in Amsterdam in het algemeen automatisch vrij.[11]

Anna Maria werkte in die tijd blijkbaar bij de reeds genoemde Claas Duijff en zijn vrouw. Claas Duijff was van beroep meesterknecht van de scheepstimmerlieden op de Admiraliteitswerf en woonde op Kattenburg, in de Kleine Straat. In 1768 lieten Duijff en zijn vrouw hun testament opmaken.[12] Daarin legden ze een legaat vast van 200 gulden voor Anna Maria 'hun tegenswoordige dienstmaagd'; dit legaat zou ze echter alleen krijgen als ze bij het overlijden van de langstlevende nog bij hem of haar in dienst was. Maria van Beek overleed in 1774 en vijf jaar later, in oktober 1779, overleed ook Claas Duijff. Het lijkt aannemelijk dat Anna Maria al die tijd in dienst is geweest bij Duijff en zijn vrouw en dat zij dus haar legaat heeft gekregen, want enkele maanden na Duijffs overlijden liet zij, op 32-jarige leeftijd, haar testament opmaken. Zij woonde op dat moment 'als dienstmaagd ten huize van den Heer Johannes Kuijper, op de Appelmarkt alhier'. In haar testament legateerde zij de al genoemde 50 gulden aan de Luthersche Diaconie; verder wees zij Jan Ham, Meester schilder, blikslager en aanspreker, en Catharina Visscher aan als haar erfgenamen. Die waren in 1770 getrouwd, woonden op Uilenburg en hadden in 1780 vier kinderen, met een vijfde op komst. Zij waren net als Anna Maria lid van de Lutherse kerk. Wat in 1780 haar relatie met dit gezin was, is niet duidelijk. Toen Anna Maria vier jaar later overleed, woonde zij echter bij hen in huis. Het gezin Ham was inmiddels verhuisd naar de Batavierstraat.

Opmerkelijk is dat Anna Maria in 1780 bij de notaris nog steeds geen achternaam opgaf. Toen zij vier jaar later overleed, werd zij in het begraafregister van de Lutherse kerk ingeschreven als Anna Maria Duijff.[13]

[1] Stadsarchief Amsterdam (SAA), arch. 5075, inv.nr. 14349, akte 97, d.d. 14 maart 1780, scan 326.

[2] Opmerkelijk genoeg noemt Anna Maria in het testament haar eigenaar Johannes Herstadt. Uit de overige gegevens blijkt dat de man Pieter Herstad heette.

[3] Resolutions of the Council of Policy of Cape of Good Hope, Cape Town Archives Repository, South Africa , d.d. 17 februari 1761, http://databases.tanap.net/cgh/ .

[4] SAA, arch. 5075, inv. nr. 11416, akte 47, d.d. 11 juni 1762. Akte van Bewijs.

[5] Resolutions of the Council of Policy of Cape of Good Hope, Cape Town Archives Repository, South Africa, d.d. 9 april 1761 http://databases.tanap.net/cgh/ .

[6] SAA, arch. 5001, inv.nr. 244, blad p.32 (folio 20), DTB Dopen.

[7] SAA, arch. 5075, inv.nr. 10794, akte 1057, d.d. 1-9-1761.

[8] SAA, arch. 5001, inv.nr. 1135, blad p.34vo, DTB Begraven.

[9] Zie noot 4.

[10] SAA, arch. 5001, inv.nr. 249, blad p.11 (folio 6), DTB Dopen.

[11] Mark Ponte, ' Tussen slavernij en vrijheid in Amsterdam' in: Pepijn Brandon, Guno Jones, Nancy Jouwe en Matthias van Rossum (redactie), De Slavernij in Oost en West, Het Amsterdam Onderzoek (Amsterdam 2020) 248-256.

[12] SAA, arch. 5075, inv.nr. 15194, akte 95, d.d. 27 september 1768. (Nog niet gedigitaliseerd)

[13] SAA, arch. 5001, inv.nr. 1136, blad p.29, d.d. 7 juni 1784, DTB Begraven.

Deel artikel

     
Geplaatst op

14 juni 2021
Auteur

Els Vermij en Willem-Jan van Grondelle
Gerelateerd

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen