Lea Ambrosius, de vrouw van dertig testamenten


Tijdens het indexeren bij Alle Amsterdamse Akten kwam een naam wel heel vaak voor: Lea Ambrosius de Swart. Ze liet in de periode 1671-1678 bijna jaarlijks (tot zelfs vijf keer per jaar) een testament opstellen voor de Amsterdamse notaris Jacob de Winter. Wie was deze vrouw en waarom ging zij zo vaak naar de notaris?

Lea Ambrosius de Swart moet rond 1596 geboren zijn in Amsterdam als dochter van Ambrosius de Swart en Deborah Meulenaers. Dankzij verschillende doopregistraties weten we dat ze veel broertjes en zusjes moet hebben gehad, maar van hen bereikten waarschijnlijk slechts twee anderen een volwassen leeftijd. Tussen 1622 tot 1634 duikt Lea vijfmaal op als getuige van Leidse dopelingen, waaruit afgeleid kan worden dat zij rond die tijd in Leiden moet zijn aanbeland. Mogelijk werkte ze daar al die tijd als dienstmaagd, welk beroep zij volgens een attestatie uit 1641 in ieder geval tot en met 1635 uitgeoefend moet hebben. In 1636 ging Lea in ondertrouw met de Amsterdammer Willem Govertsz Leuwencop. Willem was een 14 jaar oudere weduwnaar uit Amsterdam die sinds ongeveer 1600 de kost verdiende als binnenlandsvaarder. Hij specialiseerde zich gaandeweg in de vaart tussen Leiden en Amsterdam en zal in die hoedanigheid wellicht ook Lea Ambrosius de Swart zijn tegengekomen. In 1638 kregen Willem en Lea een zoon, die eveneens Willem heette, maar die al op jonge leeftijd moet zijn overleden. In 1642 stierf op ongeveer 60-jarige leeftijd ook Willem senior. Dankzij een boedelinventaris van 17 pagina's die kort na zijn overlijden werd opgemaakt krijgen we een goede indruk van het kapitaal dat hij naliet: een huis aan de zuidzijde van de Heiligeweg buiten de Heiligewegspoort, een nieuw kaagschip, aardig wat gemerkt zilver en nog wat kleding, waardepapieren en overige inboedel. De inventaris geeft de indruk dat Lea niet bepaald onbemiddeld werd achtergelaten. Volgens de boedelscheiding die op 31 augustus volgde kreeg ze 3429 gulden toebedeeld, waardoor ze tot de gegoede middenklasse kan worden gerekend.

Het is kort na Willem's begrafenis dat we in Leiden stuiten op het eerste testament dat Lea Ambrosius de Swart liet opmaken. Hierin benoemt ze haar zus Susanna Ambrosius de Swart en de zoon van haar broer Isaac Ambrosius de Swart, Stephanus de Swart, tot haar algemene erfgenamen. De kinderen van de zus van Willem Govertsz Leuwencop en de dochter uit Leuwencop's eerste huwelijk, Grietgen Willems, krijgen beiden een aanzienlijk legaat van 600 gulden. Ook stelt ze twee voogden aan die voor haar kunnen optreden als dat nodig is. Het testament maak inzichtelijk dat het onmiddellijk veiligstellen van geldelijke middelen voor een weduwe in de zeventiende eeuw absoluut prioriteit had.

In 1643 hertrouwt Lea met de bombazijnwerker Anthonis Jansz. Logischerwijs volgen ook na dit huwelijk weer meerdere testamenten waarin de relatie met de voogden wordt aangepast en waarin haar man ook genoemd wordt als erfgenaam. Ook enkele familieleden uit de tweede graad krijgen bescheiden legaten toebedeeld. Hoelang het huwelijk met Anthonis heeft geduurd is niet duidelijk, maar in 1653 is Lea wederom weduwe en treedt ze voor de derde maal in het huwelijk met de gravenmaker Jacob le Febvre. Lea woonde tot dat moment in Leiden maar keerde daarna weer terug naar Amsterdam, waar ze terugkeerde naar de haar bekende Heiligeweg . In een testament van 1658 treffen we Lea alweer aan als weduwe van Jacob. Het geeft maar hoe kort sommige huwelijken konden duren in de zeventiende eeuw. Na eerder haar kind en nu haar derde man te hebben verloren, ging Lea na 1658 voorgoed door het leven als weduwe.

Van 1668 tot haar dood in 1678 liet Lea maar liefst 24 testamenten opmaken in Leiden en Amsterdam. Een testament opmaken was ook toen al een kostbare onderneming. Op basis van de lijst van schuldenaren uit de boedel van notaris Van Sevenhoven kunnen we een reconstructie maken van wat een testament opmaken kostte in de tweede helft van de zeventiende eeuw: dat was weliswaar variabel maar kon toch al gauw neerkomen op zo'n tien gulden. Lea's gang naar de notaris was dus een kostbare. Uit de legaten aan dienstmaagden, nichten, neven, buurtgenoten en andere bekenden die zij in haar testamenten liet vastleggen, blijkt dat deze kosten haar er niet van hebben weerhouden zich in detail bezig te houden met de verdeling van haar erfenis. Zo werden vier Leidse testamenten in 1669 aangepast omdat algemeen erfgenaam Stephanus de Swart meermaals geld had geleend bij zijn tante, waardoor deze leningen direct in mindering werden gebracht op zijn legaat. Opvallend is dat in haar laatste levensjaren vrijwel alle familieleden uit het zicht raakten als erfgenamen, mogelijk omdat zij hun voor die tijd hoogbejaarde familielid niet overleefden. Uitzonderingen hierop waren haar nicht Abigael Claes in Leiden en haar zus Susanna die als provenierster in het Leidse Elisabethgasthuis in ieder testament konden rekenen op een legaat. Lea noemt in haar laatste testament veertien gelegateerden, van wie elf vrouw waren (waaronder een baleinverkoopster, een wollenaaister en verschillende weduwen). Twee van de drie universele erfgenamen waren eveneens vrouwen, onder wie oude vrijster Helena van Baalen. Bij haar woonde Lea Ambrosius in haar laatste levensfase in. Op 26 augustus 1678 overleed Lea Ambrosius. Ze werd drie dagen later bijgezet in het graf in de Oude Kerk waarin ook haar drie echtgenoten waren begraven. Dankzij de vele testamenten is het mogelijk om van deze vrouw toch een vrij nauwkeurige levensschets te maken waaruit blijkt hoe (alleenstaande) vrouwen zichzelf staande hielden en elkaar konden helpen in de zeventiende eeuw.

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen