Botto's American Dream

Notaris Cornelis van Homrigh

Op twaalfjarige leeftijd vertrekt Botto Scultetus Aeneae met een Amerikaans schip naar de Verenigde Staten, vol verwachtingen van heldendaden en avontuur. Op veertienjarige leeftijd staat hij weer op de stoep van zijn ouderlijk huis in Amsterdam, volledig berooid, verwaarloosd, en getraumatiseerd.

Rond 1780 gingen de ouders van de twaalfjarige Botto Scultetus Aeneae, Henricus en Martha, eens met hem zitten en peilen of hun zoontje zin zou hebben om "zich naar elders ter beproeving van zijn geluk [te] begeven". Botto zag dat meteen zitten, en de plannen werden gesmeed. Hij zou gaan uitvaren richting de Verenigde Staten-in-wording, vergezeld met een commandeur genaamd Alexander Gillon en diens schip South Carolina, voorheen genaamd Indien. Het schip was gebouwd in Amsterdam, gekocht door de Franse koning, en gecharterd aan de staat South Carolina. Gillon beloofde plechtig aan Botto en diens ouders dat hij Botto in bescherming zou nemen en voor hem zou zorgen alsof hij zijn eigen zoon was. Botto kreeg op het schip een baantje als midschipman of adelborst aangewezen.

Op 29 augustus 1781 was het zo ver: South Carolina koos het ruime sop en zeilde uit vanuit Texel. Het was het begin van een enorme reis waarin een hele schare aan Atlantische havens werd aangedaan. In Europa kwam het schip te La Coruña, Ferrol, Tenerife en Madeira, alvorens het in Noord-Amerika Baltimore, Rhode Island, Boston, Providence en Philadelphia aandeed. Ook zeilden ze nog door de West-Indiën en kwamen te Dominica, Martinique, Havana, St. Domingue, en Bermuda.

De vroege jaren '80 waren geen rustige tijd in Atlantische wateren: er werden op dat moment verschillende oorlogen gevochten tussen de koloniale machten onderling en tussen de moederlanden en koloniën zelf. Het bekendste voorbeeld daarvan is natuurlijk de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog, die duurde van 1775 tot 1783. South Carolina fungeerde als een actief oorlogsschip in de South Carolina Navy (Amerikaanse zijde), en regelmatig raakte ze slaags met meerdere Britse oorlogsschepen. Botto genoot echter met volle teugen: vol trots spreekt hij over alle "kruistochten" die het schip ondernam, en over alle Britse fregatten (volgens hem wel 27 stuks) die ze innamen of op de vlucht wisten te jagen. Het meest glorieuze moment was volgens Botto de verovering van de havenstad New Providence in de Bahama's, die dankzij de deelname van South Carolina overging van Britse naar Amerikaanse handen. Botto was vol historisch besef: hij koesterde dat hij op zo'n jonge leeftijd zich al "kon beroemen eenen togtgenoot geweest te zijn" van de "helden" die als allereerste de Amerikaanse vlag hadden kunnen doen gelden in het Westen.

Terwijl het schip in Philadelphia lag, begon het tij voor Botto te keren. Commandeur Gillon, die al die tijd beloofd had om voor hem te zorgen, vertrok ineens en liet Botto aan zijn lot over. Botto had niet lang de tijd om hierover na te denken, want hij moest al snel met een vervangende kapitein weer uitvaren voor een nieuwe "kruistocht".

In december 1782 gaf South Carolina zich eindelijk gewonnen toen ze in de buurt van New York tijdens de battle of the Delaware Capes tegen de Britten beschadigd raakte. Botto werd met de rest van de 465 bemanningsleden krijgsgevangen gemaakt, en ondanks zijn "teere jeugd" in zware ijzeren boeien gezet.

Botto bracht 24 tergende weken door in een New Yorkse gevangenis, waar volgens hem wel 700 andere gevangenen zaten. De omstandigheden waren dusdanig slecht dat de sterfte erg hoog was; later, tegen het sluiten van de vrede, waren er 625 onder hen omgekomen van de ellende en verwaarlozing. Botto liet het er in de tussentijd niet bij zitten en vertelt dat hij meerdere pogingen had ondernomen om te ontsnappen en zijn "natuurlijke vrijheid" terug te krijgen. Eén keer leek het hem bijna te lukken: hij haalde het tot de poorten van New York, maar werd op het laatste moment in de kraag gegrepen. Dat leidde tot een letterlijk en figuurlijk dieptepunt. Als straf werd hij in een soort piepkleine isolatiekuil gezet, waar hij niet eens door zijn knieën kon, en die van boven was afgesloten met ijzeren tralies. Botto vergeleek dit met levend begraven worden. Hij dacht vooral aan zijn ouders in Amsterdam – die zouden nooit te weten komen dat hij hier nu in die kuil zat, en dat hij ook in die kuil zou sterven.

Botto werd echter gered door de hoge heren aan de onderhandelingstafel: na 10 dagen in de kuil te hebben gezeten, kwam het nieuws van een wapenstilstand tussen Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, en de vrijlating van alle krijgsgevangenen was onderdeel van het akkoord. Met zijn herwonnen vrijheid besloot Botto toen maar naar Long Island te gaan, omdat daar veel Hollanders woonden. Daar sterkte hij vervolgens zeven weken aan bij een vriendelijke boer, die hem als zijn eigen kind behandelde.

Met nieuwe kracht ging Botto vervolgens op zoek naar commandeur Gillon. Die had immers een hoop uit te leggen, en scheen in Charleston te zijn. Nadat hij opnieuw zijn vrijheid bevestigd kreeg van de Britse regering in New York, ging hij op weg naar Charleston, samen met de restanten van de bemanning van South Carolina (nog maar 13 in leven). Hun nieuwe boot was echter zo oud, gammel en zinkend, dat ze aan de verdrinkingsdood ontsnapten door op het nippertje gered te zijn door een ander scheepje.

Botto wist Gillon te vinden, en vertelde de commandeur wat hij allemaal had meegemaakt en dat de kapitein een belofte na te komen had. Maar Gillon wimpelde hem opnieuw af: "Ik kan niets meer voor u doen, dewijl de staat van Zuid Carolina geene schepen meer in dienst houdt".

Uiteindelijk zwierf Botto nog 10 weken door Charleston, wederom berooid. Hoewel hij inmiddels wel een certificaatje voor zijn loon als zeeman in Amerikaanse dienst had ontvangen, lukte het niet om dit te innen. Ook mislukte een poging om een stukje land in North Carolina te claimen wat door het Amerikaanse Congres beloofd werd aan 'hun' zeemannen, omdat Botto per notariële akte kapitein Gillon had gemachtigd om dit voor hem af te handelen, en – uiteraard – vervolgens nooit meer iets van Gillon hoorde. Botto kreeg zelfs geen cent te zien van alle buitgelden waar hij recht op had van alle schepen die hij ooit geholpen had in te nemen. Vanwege zijn jeugd en gebrek aan connecties had hij geen enkel vooruitzicht om iets aan te kunnen vechten, zeker niet tegen Gillon, die later verkozen zou worden tot het Amerikaanse Congres namens South Carolina.

In een berooidere en armzaligere staat dan ooit, knapte Botto's Amerikaanse droom. Het werd te veel voor de jongen, en hij wilde eigenlijk alleen nog maar terug naar zijn geboortestad. Uiteindelijk lukte het hem om passage naar Oostende te krijgen met De Provincie van Vlaanderen. Op 6 september 1783 kwam hij weer in de Oude Wereld aan. Te voet strompelde hij verder naar Amsterdam, en stond op 15 september weer op de stoep van zijn ouderlijk huis, na een heel mensenleven aan avontuur geleefd te hebben in iets meer dan twee jaar.

Op 25 november 1783, circa twee maanden na zijn thuiskomt, lepelt de nu veertienjarige Botto dit allemaal op aan notaris Cornelis van Homrigh. Hij verklaart dat dit is hoe hij het zich allemaal herinnert, maar dat hij sommige getallen en data niet helemaal zeker meer weet. Wat wel zeker is, is dat zijn verklaring slaat op een belangrijk stuk ontstaansgeschiedenis van de Verenigde Staten: de zeeslagen van de South Carolina waar Botto aan deelnam en die hij in de akte beschreef waren belangrijke momenten in de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Middels deze akte krijgen we een intiem perspectief op deze grotere gebeurtenissen, met een Amsterdamse tiener als verteller.

Het is ook duidelijk dat Botto nog niet klaar was met de avonturen. In 1786 vertrok hij met het VOC-schip Nederlands Welvaren naar Azië. In 1788 vinden we hem in Puntiana (Pontianak) in Oost-Indië. Hij zal echter wel genoeg hebben gehad van het woelige leven als zeeman op oorlogsschepen: Botto was opgeklommen tot 'boekhouder en tweede resident'. Op 3 september 1792 overleed hij te Semarang.

Tags

18e eeuwNew YorkAziëVOC
Deel artikel

     
Geplaatst op

10 november 2021
Auteur

Tessa de Boer
Bron

   Attestatie, 23 november 1783
Tags

18e eeuwNew YorkAziëVOC
Gerelateerd

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen