Met negen valkeniers naar de rivier van Kola

Historische datum 1740

Op 14/15 juni 1740 sloot schipper Barthell Colijn bij notaris Pieter de Marees Junior een bijzonder bevrachtingscontract af met de Amsterdamse koopman Josua van Ouderkerk. Het lijkt een heel gewoon contract zoals er jaarlijks honderden werden afgesloten, maar bij nadere lezing bevat het een opmerkelijke clausule. Colijn moest met zijn schip de Pieter en Jan naar Archangel varen om daar rogge, lijnzaat of teer in te laden. Hij mocht daar veertien dagen blijven liggen om de lading in te nemen en daarna zou hij 'gehouden zijn om vandaar wederom met den eersten bequaamen wind & weer te zeijlen na deese stadt'. Het contract vermeldt echter vervolgens dat het Colijn zou vrijstaan om zowel op de heenreis als op de terugreis 'Cola aan te zijlen en op 10 september van Cola te vertrekken'. Waar slaat deze clausule op? Waarom bedong Colijn in het contract zo precies dat hij onderweg tweemaal Kola mocht aandoen en vandaar op de terugreis op 10 september mocht vertrekken?

Het antwoord op deze vraag is te vinden bij notaris Samuel Wiselius. In een akte van 1 november 1740 legden Laurens Laurens, stuurman, Markus Claasz, bootsman, en Albert Andriesz, matroos, een verklaring af over hun recente reis met het schip Pieter en Jan, van schipper Bartholt Collijn. Ze vertelden dat de schipper in het voorjaar [van 1740] een contract had afgesloten om negen valkeniers te vervoeren naar 'de rivier van Cola'. Hij zou daar op de valkeniers blijven wachten tot de 10e of 12e september en hen - als ze klaar waren met hun werk - weer mee terugnemen naar Amsterdam. Intussen mocht hij vanuit Kola wel even een reis maken naar Archangel en terug.

Kola – tegenwoordig onderdeel van Moermansk – ligt aan de baai van Kola die uitmondt in de Barentszzee, in het uiterste noorden van Rusland. Archangel ligt daar hemelsbreed zo'n 800 kilometer vandaan aan de Witte Zee, een grote inham van de Barentszzee. Archangel was in de 18e eeuw een belangrijke zeehaven voor Rusland. Vanuit de Republiek was er een levendige handel met Archangel, zoals in dit geval met de koopman Josua van Ouderkerk, die rogge, lijnzaat of teer kocht.

Dit noordelijke deel van Rusland was samen met Noord-Noorwegen en IJsland ook het broedgebied van een bijzondere vogel, de giervalk. Deze giervalk was door zijn fraaie bouw en uitstekende vliegeigenschappen zeer gewild bij de valkenjacht. De valkenjacht – het jagen met een valk - was vanouds een prestigieuze activiteit voor koningen en edelen. Daarom stond het beroep van valkenier in hoog aanzien. Valkeniers vingen de verschillende soorten valken, trainden ze voor de jacht en leverden ze aan hun adellijke klanten. Sommige soorten valken konden in gematigde streken worden gevangen, maar enkele bijzondere soorten kwamen – en komen – alleen hoog in het noorden voor. Zo stuurde de Deense koning jaarlijks een schip naar IJsland om een aantal valken te halen.

Ook in de Republiek ontwikkelde zich een groep valkeniers, vooral in de omgeving van Valkenswaard. Deze valkeniers trokken in de achttiende eeuw regelmatig naar Noorwegen, Zweden en Moscovië [Rusland] om daar valken te vangen. Zo vermeldt een akte van 9 december 1740 bij de Valkenswaardse notaris Johan Samuel Guichenon de Chastillon dat een aantal valkeniers in dat jaar ter valkenvangst naar Kola was gereisd met de schipper Barthold Collijn en zijn schip de Peter en Jan. Ze kwamen daar op 26 juli aan en waren met de valkenvangst bezig tot 8 september. Hun Valkenswaardse opdrachtgever Pieter Frans Dankers, 'meester valkenier van Sijn Keurvorstelijke Doorlugt van Ceulen', had namelijk met schipper Collijn afgesproken dat deze op 10 september de valkeniers in Kola weer zou komen ophalen. Tegen deze afspraak in troffen de valkeniers Collijn daar op 10 september niet aan. Omdat ze niet wisten of Collijn nog wel zou komen en ze niet in Kola wilden overwinteren, gingen ze op zoek naar een alternatief. Ze konden de terugreis afspreken met een andere schipper, genaamd Notaba, uit Duinkerken. De valkenkamer van de Peter en Jan was overigens toch te klein geweest voor hun buit, dus dat kwam wel goed uit.

Laatstgenoemde akte sluit goed aan bij de eerdere verklaring van de drie bemanningsleden van de Pieter en Jan. Zij verklaarden dat hun schip op 18 juni uit Amsterdam was vertrokken met negen valkeniers aan boord naar Kola, waar ze op 26 juli aankwam. De valkeniers en hun bagage gingen van boord en de Pieter en Jan voer door naar Archangel, waar ze op 13 augustus arriveerde. Daar werd lading ingenomen en de 7e september vertrok het schip weer naar Kola. En toen ging het mis, ze kregen vertraging. Als gevolg van tegenwind en mist kwamen Collijn en zijn bemanning pas op 15 september in Kola aan. Daar hadden de valkeniers niet op de terugkomst van het schip willen wachten, ze hadden inmiddels een ander schip geregeld. Zeer tegen de zin van schipper Collijn vertrokken de valkeniers op de 19e september met een schip naar Duinkerken. De Pieter en Jan vertrok op 23 september naar Amsterdam en kwam daar kort voor 1 november aan.

Waarom vroeg Collijn zijn bemanning een verklaring af te leggen? Collijn zat vermoedelijk stevig in de problemen. Hij had twee opdrachten aanvaard voor één reis, goederen halen in Archangel en valkeniers vervoeren heen en weer naar Kola. Op zichzelf een goede deal, maar helaas lukte het hem niet om aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij was te laat in Kola om de valkeniers weer op te halen en door zijn late vertrek uit Kola kwamen de goederen van zijn opdrachtgever Josua van Ouderkerk ook nog eens te laat in Amsterdam aan. Het was dus verstandig om de oorzaak van zijn vertraging notarieel te laten vastleggen.

Het vervoer van valkeniers en hun valken door Nederlandse koopvaarders vanuit Amsterdam kwam overigens vaker voor. Zo sloot schipper Claas Jansz van het galjootschip De Jonge Jacob in 1729 een bevrachtingscontract om de valkenier Jan Heesterbeeck 'met zijn volk en valcken' in september op te halen in het Noorse Christiania (thans Oslo) en Terneus (oude naam voor Lindesnes). Dat de valkerij een lucratieve zaak was, blijkt wel uit het feit dat Claas Jansz deze retourreis naar Noorwegen 'ballastscheeps' [zonder lading] maakte. De opdrachtgever kon/wilde kennelijk zoveel betalen dat Jansz deze reis niet hoefde te combineren met vervoer van andere lading. Ook in twee andere scheepsverklaringen wordt melding gemaakt van het vervoer van valkenvangers en hun valken vanuit Noorwegen naar Amsterdam. Hier was echter wel sprake van een combinatie met andere lading, in dit geval houtwaren.

Overige bronnen:

Jan Willem Veluwenkamp, Archangel, Nederlandse ondernemers in Rusland 1550-1785, Uitgeverij Balans 2000.

A.F. van Beurden, 'Valkeniers en Valkenjacht', in: Buiten, 14e jaargang No. 38, 18 september 1920, p. 450-452.

Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, toegang 10240 Notariële archieven standplaats Valkenswaard, 1734-1935, inventarisnummer 22, akte d.d. 9 december 1740.


Tags

18e eeuwScheepvaartdierenScheepsverklaring
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen