Valsheid in geschrifte

Historische datum achttiende eeuw | Notaris Benjamin Phaff

De informatie in notariële akten is altijd goudeerlijk en oprecht. Althans, dat is wat de comparanten willen dat we geloven. Onder ede en met droge ogen beweren gewiekste zakenlieden dat al hun intenties waarachtig zijn. Maar is dit wel zo? Over suikerzoete handel met de Franse Antillen, het ontwijken van vervelende Britse kaapvaart, en de grootschalige fraude met Amsterdamse bevrachtingscontracten die dit mogelijk maakte.

In de achttiende eeuw hadden de meeste koloniale machten van Europa zich een stukje van Caraïben toegeëigend. Spanjaarden, Britten, Fransen, Nederlanders en enkele Scandinaviërs probeerden 'hun' eilanden economisch verdienstelijk te maken voor het moederland. Hoe moest dit gebeuren? Sommigen vonden hun antwoord in het mercantilisme: Frankrijk besloot bijvoorbeeld dat haar koloniale rijk in Amerika alleen toegankelijk moest zijn voor Franse kooplieden, en dat alleen Franse schepen er mochten handelen. Zo vloeide de winst niet weg naar grijpgrage buitenlanders, maar bleef het in Franse handen. Winst was er zeker te behalen: in de loop van de achttiende eeuw bleken de Franse eilanden St. Domingue (Haïti), Martinique en Guadeloupe uiterst geschikt om suiker op te verbouwen. En suiker – dat wilde elke Europeaan wel in zijn thee.

Het Franse mercantilistische systeem werkte best aardig. Franse schepen vervoerden de suiker van de Antillen naar Franse havens zoals Bordeaux, waar het vervolgens verkocht en doorgevoerd werd naar onder andere Amsterdam. Er was echter één probleem: Frankrijk en aardsrivaal Groot-Brittannië hadden nog wel eens de neiging om slaags te raken. In de achttiende eeuw was het meerdere keren raak: onder andere tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748), Zevenjarige Oorlog (1756-1763) en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) stonden de twee grootmachten regelrecht tegenover elkaar. Er werd zowel in Europa als Amerika gevochten, en ter land en ter zee. In tijden van oorlog had men het recht om (koopvaardij)schepen van de vijand te kapen en te confisqueren. Dit was een hele goede manier om de economie van de tegenstander plat te leggen. De Britten hadden de akelige eigenschap dat ze hier enorm goed in waren, en hun vloten kamden de kusten van Europa en de Caraïben uit op zoek naar een 'prize'.

Dit was een enorm probleem voor de Fransen. Het werd nu ontzettend moeilijk voor hun eigen schepen om de route tussen Frankrijk en de suikereilanden te bevaren, aangezien de Britten continu op de loer lagen. Op momenten zoals dit was het tijd om tóch buitenlanders een rol te laten spelen in hun rijk, en werd de strenge wetgeving even losgelaten. Schepen van 'neutrale' landen konden na het kopen van een paspoort op en neer varen naar de Franse eilanden, en zo toch de suiker naar Europa brengen. Nederland was tijdens de meeste van deze oorlogen neutraal, en beschikte over een enorme koopvaardijvloot. Amsterdamse kooplieden stonden meteen te trappelen om zich te wagen aan deze meestal verboden vorm van handel.

Ook voor neutrale schepen waren er nog steeds allerlei risico's aan verbonden, want ook voor deze schepen vormden de Britten nog steeds de grootste bedreiging. De Britten namen namelijk helemaal geen genoegen met een neutrale vlag – als het ruim vol lag met vijandelijke suiker, was het schip evengoed een doelwit. Werd het schip alsnog genomen, dan was dat een enorme financiële blamage: je was bijvoorbeeld je schip en de lading suiker kwijt, en er moesten dure, internationale juridische procedures in gang worden gezet als je ooit wilde hopen om het nog terug te zien. Een reis als dit vergde dus zorgvuldige voorbereiding, en de risico's moesten zoveel mogelijk geanticipeerd worden. Meerdere bezoekjes aan een Amsterdams notariskantoor waren hierin essentieel.

Het belangrijkste doel was om, indien het schip werd aangehouden en geïnspecteerd door een Britse kaper, te kunnen bewijzen dat de suiker aan boord écht niet Frans was, maar een andere, niet-vijandelijke oorsprong had. Het was dus essentieel om documenten aan boord te hebben die dat konden "bewijzen". Als je bijvoorbeeld een keurig bevrachtingscontract bij je had waar op stond dat de bestemming van het schip een Nederlandse kolonie als Curaçao of St. Eustatius was, dan kwam je al een heel eind. De echte bestemming van het schip was natuurlijk een Frans eiland zoals St. Domingue. Het is dus nooit helemaal zeker of een uit de oorlogsjaren gedateerd bevrachtingscontract waar "Curaçao" op staat, daadwerkelijk bedoeld is als legitiem contract, of als instrument om de Britten te bedonderen.

Het notarieel archief van Amsterdam bevat hele stapels van dit soort frauduleuze bevrachtingscontracten. De grootste firma's van achttiende-eeuws Amsterdam lieten ze links en rechts opstellen, en vooral notaris Benjamin Phaff lijkt een vast adres hiervoor te zijn geweest.

Een van de meest gewiekste Amsterdamse firma's die zich hiermee bezig hield was Grou & Libault. Guillaume Grou en François Libault hadden (zoals hun naam het misschien al verraadt) veel zaken- en familierelaties in Frankrijk, dus voor hen was het nog makkelijker om in te stappen in de 'neutrale' handel met de Franse eilanden. Ten tijde van de Oostenrijkse Successieoorlog (jaren 1740) zijn zij met grote regelmaat bij notaris Phaff te vinden voor een verse stapel neppe bevrachtingscontracten. Op 16 februari 1745 komt François Libault bijvoorbeeld met schipper Christiaan van der Kroon een bevrachtingscontract opstellen voor het schip De Maria Elizabeth Galeij. Het zou via Zeeland naar Curaçao varen, en eenmaal daar beladen met o.a. suiker weer terug naar Amsterdam komen.

Dit contract is echter nonsens. Hoe komen we erachter welke contracten "deugen" en welke niet? Vrij simpel – andere notariële akten. Vóór aanvang van de reis werden er namelijk nog veel meer opgesteld; verdere afspraken met de kapitein, verzekeringen die geregeld moesten worden, insinuaties als er conflicten kwamen, etc. Vaak werden er óók akten opgesteld die wel degelijk expliciet de snode plannen en de valsheid in geschrifte toegaven. Deze akten waren dan niet bedoeld om mee aan boord te nemen (zoals de valse bevrachtingscontracten), maar waarschijnlijk wel om weer op andere manieren juridische indekking te zoeken. Direct na het contract tussen Libault en schipper van der Kroon vinden we namelijk zo'n akte: een akkoord tussen de twee mannen waarin uitgelegd wordt dat overal in het eerdere contract waar "Curaçao" staat "zal moeten verstaan en gehouden werden te weesen de plaats Leogane leggende op 't Eyland van St. Domingo alwaar de regte los en laad plaats zal zijn".

Andere soorten akten waarin we kunnen herleiden of een bevrachtingscontract deugt of niet, vinden we nadat het schip (niet) is teruggekeerd van de reis: in scheepsverklaringen vertellen bemanningen in geur en kleur dat zij dachten dat ze op weg waren naar Curaçao, totdat de aap uit de mouw kwam, en het schip richting de Franse eilanden bleek te gaan. In dit soort scheepsverklaringen blijkt ook dat de angst voor de Britten niet ongegrond is: enorm veel van de Nederlandse schepen die terugkwamen van de Franse eilanden werden inderdaad gekaapt en in beslag genomen door de Britten, zo vertellen de bemanningen. De Britten kenden de trucjes met de valse bevrachtingscontracten inmiddels wel, en lieten zich niet erdoor bedonderen als de tegenbewijzen zich torenhoog opstapelden. Als dit noodlot toesloeg, moesten firma's als Libault & Grou slopende juridische procedures voeren in meerdere landen om hun schip terug te krijgen en verzekeringen te innen. Ook hiervan vinden we meestal talloze sporen terug in het notarieel archief.

In de Prize Papers in de Engelse National Archives zijn tientallen dossiers te vinden van deze Amsterdamse schepen die méér dan terecht verdacht werden van handel met de Franse eilanden. Londen is dus tegen wil en dank de laatste rustplaats van deze frauduleuze notariële akten uit Amsterdam.

Tags

Scheepvaartsmokkel18e eeuwKoloniën
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen