Een slaafgemaakte familie in Amsterdam


In 1783 werden Anthony, zijn vrouw Magdalena en hun zoontje Emanuel vanuit Curaçao naar Amsterdam meegenomen. Daar kwamen zij terecht in een woning aan de Nieuwe Herengracht, het huidige nummer 105. Anthony was de persoonlijke bediende van de oude koopman Isaac Pardo. Ook Magdalena werkte als bediende. Hoe oud Emanuel was en of hij ook moest werken is niet bekend.

Anthony en zijn familie leefden op Curaçao in slavernij, in Amsterdam was hun status niet zo duidelijk. Slavernij was in Amsterdam al van oudsher officieel niet toegestaan. In de boeken met 'Keuren en Costumen' van Amsterdam is vanaf 1644 een bepaling over slavernij opgenomen. Deze Amsterdamse bepaling was een letterlijke kopie van een Antwerpse die teruggaat tot in de zestiende eeuw. Onder 'Van den Staet ende conditie van persoonen' was de bepaling opgenomen dat: ' Binnen der Stadt van Amstelredamme ende hare vrijheydt, zijn alle menschen vrij, ende gene Slaven.' Dat lijkt een duidelijke bepaling dat ieder mens in Amsterdam als vrij persoon gezien moest worden. Het tweede artikel stelt wel dat het aan degene was die 'tegens haeren danck' in slavernij gehouden werd, om die vrijheid bij het bestuur van de stad op te eisen. Met andere woorden; er werd niet actief opgespoord.

Die wetgeving was ook op Curaçao bekend onder de slaafgemaakten. Sommigen probeerden als verstekeling aan boord van schepen naar de Republiek te komen om daar de vrijheid te verkrijgen. Meestal tevergeefs. In de loop van de achttiende eeuw zijn er honderden tot duizenden slaafgemaakte mensen geweest uit onder meer Suriname, Berbice en Curaçao, die een tijd in Amsterdam verbleven, maar van wie de juridische status vrijwel hetzelfde bleef, zeker na terugkeer in de kolonie. Die situatie veranderde toen twee Surinaamse vrouwen in 1771, na een verblijf in de Republiek, eenmaal terug in Paramaribo met succes hun vrijheid claimden. Vanwege de onrust die ontstond, besloten de Staten-Generaal de vrijheid in te perken. Niet langer zou een slaafgemaakte bediende in de Republiek direct vrij zijn, maar pas na een verblijf van zes maanden - een periode die ook nog eens met zes maanden verlengd kon worden. Als hij of zij daarna nog steeds in de Republiek woonde, werd deze echt vrij.

Hoe lang Anthony, Magdalena en Emanuel aan de Nieuwe Herengracht hebben gediend, is (nog) niet bekend. Vooralsnog kennen we deze Afro-Curaçaose familie slechts uit één document: het testament van de op Curaçao geboren Portugees-Joodse koopman Isaac Pardo. Dat document werd enkele maanden na hun aankomst in Amsterdam opgesteld. Met drie getuigen toog notaris Johannes van de Brink van zijn kantoor aan het Rokin op 8 december 1783 naar de Nieuwe Herengracht. Met drie in plaats van de gebruikelijke twee, omdat 'den testateur blind is', zo noteerde de notaris aan het einde van de akte.

Dat Isaac, Anthony, Magdalena en Emanuel in december nog niet zolang in Amsterdam waren, blijkt onder meer uit het feit dat Pardo in september 1783 voor het eerst finta (belasting) betaalde aan de Portugees-Joodse Gemeente. Hij werd aangeslagen in de hoogste categorie, en was dus een rijk man. Na een lange carrière als koopman in Curaçao had hij besloten zich in de Republiek te vestigen. Wellicht deed hij dat vanwege de betere medische voorzieningen. Pardo was oud en inmiddels ook blind, en waarschijnlijk grotendeels afhankelijk van zijn bedienden.

In zijn testament liet Pardo vastleggen dat na zijn dood de bediende Anthony vrij zou zijn en ontslagen van alle 'slaafschen diensten'. Daarnaast droeg hij zijn kinderen op 'Anthony mitsgaders desselfs huijsvrouw Magdalena en hunnen zoon Emanuel zolang de gemelde Antonij leeft, van kost en drank mitsgaders kleeding en huisvesting ten hun huijzen [te voorzien]. Daarvoor moesten deze wel de nabestaanden dienen 'zoals denzelve thans ten dienst van den testateur [Pardo] zijn'. Mocht een van beide partijen, dus ook Anthony en zijn familie, geen prijs meer stellen op dit dienstverband, dan moesten Pardo's zonen hem jaarlijks 400 gulden betalen. De uitkering was niet overdraagbaar op Magdalena - in het geval Anthony eerder zou sterven. Wel zouden Magdalena en Emanuel op kosten van de Pardo's naar Curaçao mogen terugkeren, en - heel belangrijk - vrij worden gemaakt.

Het zou kunnen dat dit de juridische bevestiging was van een eerder gemaakte afspraak tussen Anthony, Magdalena en Isaac Pardo. Zoals dat eerder het geval was met de Afro-Curaçaose Juan Francisco Ado, die in 1731 in Amsterdam arriveerde met Anna Levina Leendertsz, vrouw van de voormalige gouverneur van Curaçao en oud-schepen van Amsterdam Jan Noach du Fay. Al voor vertrek uit Curaçao hadden zij afgesproken dat als de 'slaaff haar […] behoorlijk mochte dienen en oppassen geduurende de reijse', Ado in de Republiek zijn vrijheid zou krijgen.

Isaac Pardo overleed anderhalf jaar na het opmaken van het testament; op 21 juni 1785. Hij werd begraven op de Portugees-Joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel. Een jaar later werd zijn 'magnifique en deftige' inboedel verkocht. Hoe het leven van Anthony, Magdalena en Emanuel verder is verlopen, weten we nog niet. Zijn ze teruggekeerd naar Curaçao? Of hebben ze een eigen leven kunnen opbouwen in Amsterdam? Wellicht zullen er in de toekomst nog documenten over hen opduiken in het archief van de Amsterdamse notarissen.

Stadsverwanten

Het verhaal van Anthony, Magdalena, Emanuel en Isaac is een van de vele verhalen die verteld worden tijdens de tentoonstelling Stadsverwanten in het Stadsarchief. Gratis toegang.

Meer lezen:

  • Han Jordaan, Slavernij en vrijheid op Curaçao. De dynamiek van een achttiende-eeuws Atlantisch handelsknooppunt (Walburgpers 2013)
  • Mark Ponte, ' Tussen slavernij en vrijheid in Amsterdam', in: Pepijn Brandom e.a., De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek (Spectrum; Amsterdam 2020) 248-256.

Met dank aan Ton Tielen

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen