'Uit vreese' voor de notaris. De reis van slavenschip 't Gezegende Suikerriet

Historische datum 1 november 1746 | Notaris Benjamin Phaff

In november 1746 verscheen de 24-jarige Hans Evers bij notaris Benjamin Phaff in diens kantoor bij de Beurs. Evers wilde een eerder door hem afgelegde scheepsverklaring intrekken. De redenen die hij hiervoor gaf logen er niet om. De andere bemanningsleden van het schip waarop hij had gevaren zouden hem met 'veele vloek en scheldwoorden' hebben gedwongen om de eerder opgestelde verklaring af te leggen en zelfs de notaris zou hem hebben bedreigd. Wat was er gebeurd?

Hans Evers was in 1743 uitgevaren als hofmeester met het slavenschip 't Gezegende Suikerriet. Als hofmeester was hij verantwoordelijk voor de verdeling van de rantsoenen voor de bemanningsleden en de slaafgemaakte mensen die aan de West-Afrikaanse kust werden ingekocht. In de akte stelde hij dat de reis van 't Gezegende Suikerriet pas zijn 'eerste reijs na zee' was geweest. Vanaf het vertrek was er van alles misgegaan.

Het slavenschip 't Gezegende Suikerriet was een van de eerste private slavenschepen die uit Amsterdam vertrokken. De West-Indische Compagnie (WIC) had tot de jaren 1730 het alleenrecht gehad op de trans-Atlantische slavenhandel, maar deed in de jaren die volgden geleidelijk afstand hiervan. Dit opende de slavenhandel voor andere partijen. Over de private slavenhandel van Amsterdam was tot nu toe weinig bekend, maar door de digitalisering en indexering van notariële akten binnen het project 'Alle Amsterdamse Akten' komen steeds meer akten naar boven die gerelateerd zijn aan de private slavenhandel. Deze akten vormen de basis voor het boek De grootste slavenhandelaren van Amsterdam. Over Jochem Matthijs en Coenraad Smitt (Walburg Pers, 2022).

Koopman Jochem Matthijs Smitt ( 1756) was een van de eerste kooplieden die zijn schepen inzette om slaafgemaakte Afrikanen te verhandelen in Suriname. Hij was rond 1724 samen met zijn vrouw Sophia Catharina Platen van Hamburg naar Amsterdam geëmigreerd en bouwde daar een bedrijf op. In 1750 kwam zijn zoon Coenraad Smitt (1727-1779) bij de firma, vanaf dat moment genaamd 'Jochem Matthijs en Coenraad Smitt'. Uit ons onderzoek blijkt dat Jochem Matthijs en Coenraad Smitt gedurende de achttiende eeuw de grootste private slavenhandelaren van Amsterdam waren. Ze hebben tussen de 11.000 en 13.000 slaafgemaakte Afrikanen verhandeld, ruim een derde van de totale Amsterdamse private slavenhandel.

Na afloop van de eerste reis van 't Gezegende Suikerriet in 1745 legden de bemanningsleden een aantal verklaringen af bij notaris Van den Brink. In deze verklaringen beschreven ze in detail de reis die ze hadden afgelegd, de West-Afrikaanse plaatsen die ze hadden aangedaan, welke bemanningsleden zich hadden misdragen en wie er waren ontslagen. Het belangrijkste onderdeel van de verklaringen betrof het wangedrag van Van den Bergh en de mishandelingen die hij had laten uitvoeren. Van den Bergh zou een dronkenlap zijn geweest, die een schrikbewind voerde. Hij bestal bemanningsleden en liet slaafgemaakten aan boord zwaar mishandelen, waarbij enkelen zelfs om het leven kwamen.

In 1746 kwam Evers bij notaris Benjamin Phaff terug op zijn eerder afgelegde verklaring. Hij gaf hier ook een reden voor. Evers verklaarde dat hij bij de eerder afgelegde verklaring ook veranderingen had willen aanbrengen maar dat 'de notaris wijgerde eenige verandering te maken en hem getuijge [Evers] bedreigde dat zoo hij zulks niet wilde verklaaren hij hem daartoe wel zoude dwingen of zulks doen doen'. Met andere woorden: volgens Evers had notaris Daniel van den Brink gezegd dat hij Evers zou dwingen de verklaring af te leggen. Evers zou vervolgens de verklaring 'uit vreese' hebben beëdigd.

Het is een opvallende bewering van Evers. Er wordt vaak gedacht dat de notaris een neutraal persoon was wiens enige taak het was om akten te laten opstellen voor zijn klanten. Deze stelling van Evers laat zien dat de notaris in sommige gevallen misschien helemaal niet zo neutraal was. Of notaris Van den Brink Evers echt heeft bedreigd is niet te achterhalen. Het feit dat Jochem Matthijs veel akten liet opstellen en daarmee een grote vaste klant van notaris Van den Brink was zou erop kunnen wijzen dat notaris Van den Brink een stap verder ging om zijn klant te behouden. Notaris Benjamin Phaff had er in ieder geval geen moeite mee om deze bewering over zijn collega Van den Brink op te laten schrijven.

Evers verklaarde bij notaris Phaff opnieuw dat hij in 1743 met het slavenschip 't Gezegende Suikerriet naar West-Afrika was vertrokken om slaafgemaakte mensen in te kopen. Hij herhaalde deels wat hij eerder met de andere bemanningsleden had verklaard. Zo was kapitein Jan Daniel Schrijver (ca. 1711-1744) niet lang nadat het schip aan de kust van West-Afrika arriveerde overleden. De eerste stuurman, Dirk van den Bergh (1709-vóór 1772), nam het bewind vervolgens over.

Er zijn echter ook belangrijke verschillen tussen de twee verklaringen. Evers kwam in 1746 gedeeltelijk terug om te verklaring die hij eerder had afgelegd. Zo zou Van den Bergh zich slecht maar 'ordentelijk als meede nugteren en bequaam' hebben gedragen. De mishandelingen aan boord ontkende Evers echter niet:

Dat het ook wel waar is dat er eenige slaven op order van den requirant [Dirk van den Bergh] zijn geslagen off andere straffe hebben moeten ondergaan, maar dat hem getuijge als in zijn qualiteit met den requirant omgaande zeer wel weet zulks nooijt geschied is uijt quaadaardigheid of moetwil, maar telkens na mate dat de slaven zulks hadden verdient.

Evers was niet het enige bemanningslid dat gedeeltelijk terugkwam op zijn eerder afgelegde verklaring. Drie andere bemanningsleden legden bij notaris Fredrik Klinkhamer een nieuwe verklaring af. Door deze verklaringen met elkaar te vergelijken blijkt dat ze weinig verschillen van de eerste verklaring die werd afgelegd. Slechts enkele details over het verloop van de reis waren volgens Evers en de anderen anders verlopen. Het belangrijkste is dat niemand van hen ontkende dat er slaafgemaakten aan boord waren mishandeld en overleden. Ze bevestigden de mishandelingen genoemd in de eerdere verklaring, maar veranderden enkele details. Keer op keer beargumenteerden ze dat het geweld rechtvaardig was geweest, omdat, zoals Evers het hierboven verwoordde, 'de slaven zulks hadden verdient'.

Waarom praatten Evers en de drie andere bemanningsleden het geweld aan boord goed? De eerdere verklaring die zij aflegden was op verzoek van werkgever Jochem Matthijs Smitt, maar de nieuwe verklaringen legden zij af op verzoek van kapitein Van den Bergh. Nadat 't Gezegende Suikerriet in februari 1745 met ongeveer 300 slaafgemaakten aankwam in Suriname, werd Van den Bergh door de aandeelhouders van het schip afgezet. Van den Bergh mocht niet met 't Gezegende Suikerriet mee terug naar Amsterdam en bleef in Suriname achter. Een paar maanden later vertrok hij als passagier met een ander schip, waar hij na een omweg (het schip werd gekaapt) begin 1746 in Amsterdam aankwam.

Alle eerdergenoemde verklaringen werden gebruikt in een langdurige rechtszaak tussen Smitt en Van den Bergh die begon na aankomst van Van den Bergh in Amsterdam. Voor Smitt betekende het verlies van mensenlevens namelijk een verlies van omzet. Van den Bergh eiste echter dat zijn gage uitbetaald werd. Daarnaast had hij voor Smitt nog met eigen geld slaafgemaakten ingekocht toen de handelsgoederen op waren en ook dat geld eiste hij terug. Na een jarenlang proces besloten Smitt en Van den Bergh onderling tot een akkoord te komen. Van den Bergh kreeg een deel van het geëiste bedrag uitbetaald. Ondanks dat hij meerdere slaafgemaakte mensen aan boord van 't Gezegende Suikerriet had laten mishandelen en vermoorden, werd hij nooit strafrechtelijk vervolgd. En Hans Evers? Hij keerde niet terug in dienst van Jochem Matthijs Smitt. Wellicht wilde hij zelf niet meer voor Smitt varen, maar het zou ook kunnen dat Smitt Evers niet meer in dienst wilde omdat hij voor de kant van kapitein Van den Bergh had gekozen.

De firma 'Jochem Matthijs en Coenraad Smitt' zou nog decennialang slavenschepen uitreden. In totaal verhandelden de Smitts tussen de 11.000 en 13.000 slaafgemaakte mensen. Daarmee waren zij de grootste private slavenhandelaren van Amsterdam en tevens een van de grootste slavenhandelaren die Nederland ooit heeft gekend.

Meer weten over Jochem Matthijs en Coenraad Smitt, de reis van 't Gezegende Suikerriet en de Amsterdamse private slavenhandel? Zie: Ramona Negrón en Jessica den Oudsten, De grootste slavenhandelaren van Amsterdam. Over Jochem Matthijs en Coenraad Smitt (Walburg Pers, 2022).

Tags

18e eeuwZeeliedenWest-Indische Compagie (WIC)SurinameScheepvaartScheepsverklaringPlantagesWest-AfrikaNotarispraktijkPrivate slavenhandel
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen